Hoofdtekst
Albert, mijne kameraad was koejongen bij Pieres. En al den oven ’t heten vond hij in ’t kot waar dat ’t hout lag een berenvel van ne weerwolf, en hij had dat meegepakt voor dat in dien oven te werpen, en Vorken was op de kouter bezig mee loof kappen; en gelijk als Albert ’t berenvel vastpakt stond Vorken neves ’t hem! En hij paktegen dat vel uit zijn hannen en hij was ’t ermee vertrokken! En daarvoren zulle gestraft worden, had Vorken gezeid, en twee dagen daarnaar viel diëne jongen van ’t schelf! En g’en kost hem dat niet afdoen.
Beschrijving
Een man vond in de schuur een berenvel tussen het hout. De man nam het vel mee om het in de oven te gooien. De jongen die voor weerwolf speelde, was hem echter te snel af en griste het vel uit zijn handen met de woorden: “Daar zal je voor boeten”. Twee dagen later viel de man van de hooischelf.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (denderstreek)
712
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zandbergen   
