Hoofdtekst
Er kwam een heer op een kerkhof getredenMet zijn kameraadje aan zijn zijWat vond hij op zijnen wegeling liggen?Een lelijk spook, zijn ogen branden als kolen van vier.Hij pakt dat doodshoofd in zijn handenEn spot ermee: "Komt ’t avond aan mijne tafel zittenGij wordt genood.En dan ’s nachts d’er wierd aan de belle geklonken.Ach wien, de duivel, mag dat zijn?Den knecht deed open de deure met schromen.Hij zei: ach lieve meester kom ziet e keer hier Een lelijk spook zijn ogen branden als kolen van vierEnzegt dat het heer moet binnen komen,Het is hier genood.’t Is in de zaal. O neen, zo riep dat volkVan binnen, wij zijn hier al.Het spook die kwam van langs om naderEn wilt ge weten wien dan ik zijn:Ik ben Uwen eigen oprechten grootvader.Gij moet met mij in het helse vier branden,Verdoemd zijt gij. Hij paktige een here tussen zijn klauwenEn hij smeet hem met zijn hesens (hersens) tegen de muur,Dat als de heren die daar zaten, van klein tot grootZe vielen allemaal achterwaarts omme, schier tot der dood.
Onderwerp
SINSAG 0411 - Toter zu Tisch geladen.
  
Beschrijving
Een heer vond op een kerkhof een lelijk doodshoofd met ogen als vuurkolen. De man nam het doodshoofd vast en nodigde het spottend uit naar zijn tafel. Die nacht werd er bij de man aangebeld. De knecht maakte bang de deur open en meldde vervolgens aan de heer dat er een lelijk spook met vurige ogen voor de deur stond, dat beweerde uitgenodigd te zijn. De genodigden riepen echter: "Neen, wij zijn hier al". Daarop kwam het spook binnen en zei dat het de grootvader van de gastheer was. Het spook greep de gastheer vast, gooide hem met zijn hersenen tegen de muur en sleurde de verdoemde mee naar de hel. De genodigden vielen allemaal dood.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
212
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Maldegem   
