Hoofdtekst
I -En van hoe kon ge heksen herkennen, was daar een middel voor of zo? Hoe dat ge kon weten wie dat een heks was?39 -Ja, aan de kleren keken ze zeur (zij) zo een beetje; ik weet ook niet hoe dat ze dat dikwijls zagen.41 -Ja, ene die zo dikwijls met haar kap zo ‘s avonds buiten liep in zo ja, zeiden ze zo rap dat ‘t een heks was, ge ôt (had) rap de naam dat ge een heks waart ze (hoor) vroeger, zo bezonderlijk die vrouwen die ‘s avonds ... die oude vrouwen die met heure (hun) snuitdoek over heure (hun hoofd) ...39 -Ja en met die kapmantels op hé.I -En daarjuist hebt ge gezegd van een madame, “Er gaat een over uw dorpel komen die ge niet graag hebt” of zoiets; vertelt dat nog een keer. Van dat kind was dat ook hé?39 U -Wel ja, nee, nee, dat was van mijn tante hé, ze ôn (hadden) ook veel malheuren hé en die dochter heeft bij de paters geweest naar Gent en die pater zei dat er ging iemand binnenkomen, waar dat ze al lang kwaad op waren en ‘t is die vrouw van nevenst de deur heeft binnengeweest, Rook (Rochus) zijn vrouw. ‘t Is waar, maar als ge wijwater streudegen (strooide, sprenkelde) kunnen ze niet binnen. Ze rodegen (rooiden, wierpen) wijwater hé, ze kunnen aan u niets doen.I -Maar hoe heette de die dan?D39 -Rook zijn vrouw hé.39 -Ja.I -Elodie en dan, weet ge dat?39 -Magherman.I -Magherman?39 -Ah ja, dat was de zuster van euh, van Albert zijn, van mémé, van pépé.41 -Van meetjen Carlo.39 -Ah van u vader.41 -En van mijn vader, ja.II -Maar ‘t was bij haar dan ze binnengekomen waren?39 - ‘t Was bij haar dat ze binnenkwamen, ja, die dochter ôt (had) weesten lezen naar Gent hé, bij de paters en die pater zei dat er iemand ging (komen), maar dat ze er niets en mocht aan doen en ze is zij binnen geweest, en dat was Rook zijn vrouw. Ik heb ze goed gekend.II -In Zottegem?39 -Op de Neerstraat (Nu Désiré Van Den Bosschestraat beweren de informanten).I -Elodie en hare achternaam?39 -Magherman.(De discussie over de familierelaties blijft maar doorgaan en daar zij niet van belang is voor de context van de sage zelf, schreven wij ze niet uit. Graag hadden wij de echte naam van de heks (Rook zijn vrouw) achterhaald; maar geen enkele informant kon zich deze herinneren. Enkel de naam van het slachtoffer wordt vernoemd, namelijk Elodie Magherman.) I -En wat moest ge nog doen, buiten wijwater roên (rondsprenkelen) wat kon ge nog doen opdat ze niet zoun (zouden) binnengekomen hên (zijn)?39 -Ja, wat deden de mensen? Ge moest gij bidden hé!41 -Ge moest gij lezen (bidden) hé of een beeweg doen, dikwijls.II -Maar die heeft binnengeweest zegt ge daarjuist, maar thuns hêt (heeft) ze nooit meer mogen binnenkomen later?39 -Ai jé, neen’s (neen zij)! Want dat was kwestie hé jong! Ze heeft zij van ze leven ook niet meer geprobeerd om binnen te komen.II -En wak’ ene (welke) was dat, hoe heette de die die dat gedaan ôt (had)?39 -Ja! Hoe zou de die geheten hên (hebben) Rook zijn vrouw, dat weet ik ook niet ze jong.I -Ah dat was niet die Elodie?39 -Neen, ‘t was bij die Elodie dan ze binnengeweest ôn (waren).(geroezemoes, daarna wordt er weer even over de familierelaties van die Elodie gepraat; dit schreven we niet uit. We informeren nog even of er nog andere middelen waren om heksen buiten te houden, maar de informanten kunnen zich buiten het reeds vermelde rondsprenkelen van wijwater niets meer herinneren.)39 -Wel en als het te ver kwam, gingen ze bij de paters hé.II -In Gent?42 -In de Sint-Marguerite straat.I -En vertelden ze nooit zoiets over als een heks stierf of zo hoe dat dat was?39 -Ja, nee, nee.I -Want soms vertellen ze of zo dat een heks zogezegd moeilijk kon sterven of zo.41 -Dat wierd gezegd dat ‘t een hekse was, maar ge kon gij daar ook moeilijk bewijzen van krijgen hé. De mensen zegden : “Dat is een hekse, laat ze gerust of blijft d’er van rond, maar ge hebt gij daar nooit feitelijk geen bewijzen van gehad dan ze zeur (zij) iet gedaan hên (zouden hebben). Ge kost gij daar geen bewijzen van hên (krijgen) dan ze zij nu mensen ziek maakten, zein (zeiden) ze, maar ge kost gij nooit niet zeggen : “Ik heb dat gezien of het is “si” of het is “là”” . Als ze dikwijls ieverans binnen geweest ôt (was), zein (zeiden) de mensen :”Kijk, dat is de die hé. Ze is bij u binnen geweest, daarvan hebt ge dat!” Maar ze kosten (konden) zij dat nooit bewijzen hé.39 -Ja, en voor nen niet (om het minste en het geringste) leesdegen (baden) de mensen hé donderdagen lezen (bidden), Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel oh ...41 -En beevaarden, beevaarden.39 -Sint-Jansevangelie.II -Hên ze u ‘s nachts wakker gemaakt voor in de kelder te gaan?
Beschrijving
Een vrouw die veel ongeluk had, zond haar dochter naar de paters van Gent. De geestelijke voorspelde dat er iemand zou langskomen op wie men al lange tijd boos was. Er kwam inderdaad een buurvrouw op bezoek. Nadat men alles met wijwater had besprenkeld, kon die buurvrouw niet meer binnen.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (groot-zottegem)
39U
Tante van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Gent   
Gent (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Strijpen   
Plaats van Handelen
Gent   
