Hoofdtekst
10 C -Ja, van alle stoten! Ge hebt gij ding daar ook, daar van hoe heet dat ander daar, maar ik kan nooit op die naam niet komen.11 -Jamaar, kan ik ook op die naam niet komen jong. Op wat een ander?10 -Wel van die schou mannen daar ik schrijf dat daar achtereen op en ik kan er nu niet meer opkomen.II -Ôdet (had ge het) daar in gestoken?10 -‘t Is hier juist maar die drie, vier namen, maar dat zal hier niet meer op staan.II -Nee, precies niet, het is van een kalender dat.10 -Dat was een bij nu, allez dat is van de kledden hé, van ‘t Hennekot was twee (het tweede verhaal) en dat andere? 11 -Awel, van ganzen azo (zo). Met een mand azo (zo).10 -Ah, ja van een trapganzen vangen. Weet ge het? Maar dat was hier gebeurd, bij ons. Weur (wij), we waren met zeven hé en allez, maar nu bestaat dat niet meer dat ze zo ‘s avonds bij geburen ondereen, dan ze zo gingen (ontsteken( dat ze zeiden hé. II -Ja, ja zo bijeen gaan ...10 -‘s Avonds zo rond de stoof, ...II -Zo gaan vertellen.10 -Oude stoven en ze zaten zeur (zij) daar een sigaretje te roken en alle nieuws, gij waart ievers geweest, ge vertelde dat, een anderen ôt(had) ievers geweest, hij vertelde dat, en daarmee dat waren nu azo(zo) mannen, maar d’er was daar een bij die zo een beetje achterlijk was, ja, bij een die, ze allemaal op een rootjen (rijtje) goed staan heeft, die zou dat niet geloven hé, maar dat was ‘t slachtoffer en zeggen ze ...11 -Pierre.II -Pierre?11 -Albert.10 -Lotens, of hoe heette hij?I - ‘t Zou een goeie avond zijn voor trapganzen ...10 -Van Crombrugge!11 -Ja? 10 -Jamaar, tôt tôt! (toch, toch) II -En was die van Grotenberge hier?11 -Cooman zeker? Cooman, zo heette hij!10 -Cooman ja.II -Albert Cooman.11 -Ja.10 -Ja, maar dat is van uw tijd niet hé. (tegen mijn vader)I -Is dat familie van Dokers?II -Ik ken dat niet.10 -Dat is in den tijd van ... hoe oud is uw vader?II -Van ‘16 is hij.10 -Wel ja, dat is in de tijd, dan is hij tachtig.II -82 hé.10 -Awel, maar dat waren d’er azo(zo) al, maar thuns(dan) op heure (hun) leeftijd van zestien, zeventien jaar hé, dat is al lang al hé, maar hij zal dat niet weten, want hij is van Elene. Dat waren hier de Boeffers, hette gij dat nog gekend hebt gij dat huis hier nog geweten hier?II -De Boeffer, ja, ja’k vaneigens die die met dat kleine autootje reed, een Morrisken. Dat was een Boeffer hé, hij ôt azo(had zo) een klein autootje, Morris, was dat geen Boeffer?10 -Ja, ja, maar wel ...11 -Maar hier vlak op de hoek. Daar heeft een Boeffer in gewoond.10 -Dat was Boeffer. Wel, maar dat waren daar ook zeven gasten en daarmee kwamen alle zeven niet gelijk binnen, ze waren dikwijls, dat er twee al aangingen( terug weggingen) en dat de andere twee kwamen of dat we wij daar gingen, en azo, allez, ...II -En was dat hier dat ze kwamen thuns (dan)?10 -Ah, bah, ah zo ‘s avonds azo hé.II -Ja, want bij de Claus gingen ze ook.10 -Ja! Bij de Claus.II -Hier rechtover hé.10 -Ja, maar dat waren allemaal zo vrouwen.II -Ja.10 -Daar gingen veel vrouwen. Daarmee kwam Boeffer en die gasten hé van Leeuwergem, d’er is er overtijd een dood en als hij mij ziet hé, “aj” zegt hij “wij hebben bij heur (jullie) van ze leven toch leute (plezier) gehad. In de tijd van die trapganzen.” Daarmee , d’er steekt d’er dat een in gang hé “Ah ja, d’er is ‘t er maar iet te verdienen jong, of trapganzen te gaan vangen. Daarmee kunde gij nog een keer een cent verdienen.” en hij, zo die die dat zo niet te goed ...I -Mh”10 -“Ah, ja?” zegt hij “wat is dat?” “Ah bah ja” zeggen zij,-zo een beetje serieus (ernstig) een wat hé- “dat zijn wreed (erg) grote ganzen.” zegt hij “In de handel en als ge dat kunt verkopen, komt er daar wel iets van voorst.”(Gelach)10 -En zegt hij (de geestelijk minder bedeelde), “Jamaar, wat tijd is dat?” “Ah, dat is nu zie hé! Ge kunt gij twee, drie dagen te vroeg zijn.”II -De tijd van het jaar? 10 -Ja, want dat is nu die moment. (toen wij deze informant interviewden was het winter.)II -Welke tijd van het jaar was dat dan, ‘t najaar of ‘t voorjaar, of ?I -In de winter, als ‘t donker was?10 -Dat was in de winter, donker en wreede (erge) wind, storm azo al om u rap schou (bang) te maken, als ge , ge zult het wel horen veurdere (verder in het verhaal). Dat moest zo een wat storm altijd zijn dat als ze ieverst inkwamen dat ge altijd iet hoort “Wat is dat, wat is dat?” juist gelijk als dat hij zei dan ze in de kelder. Daarmee ja, hopla. “Wat peinst gij?” - op mijn vader zeiden ze Bries – “Wat peinst gij, Bries? Zouden wij nu niet een keer gaan, jong?( (Bah ja, dat waar niet slecht, maar we moeten toch met een man of zeven zijn ze, of anders kunt ge dat niet insluiten.” Jamaar, die die al (die niet zo goed snik was): “Jamaar, ik zal ook meegaan ze! Ja ja, als er iet te verdienen valt, daar wil ook ook bijzijn hé! Mij moogt ge bijtellen”. Hup, hup, ja, hup, hup, ja enfin, als er dan ook nog een van het vrouwvolk meeging ze kunnen allicht in de ding staan waar dan (dat) ze lopen als ze weerkeren, godverdemmelingen, hij hé, “Waar zitten ze zeur (zij)?” zei hij, die die een beetje minder was (minder begaafd) zeur ôn heur (Zij hadden zich) gauw (snel) zo iet weesten aandoen azo, een lange rok, maar dat goed in hun broek gestoken dat hij dat niet en zag hé en mijn vader hij ôt (had) azo gelijk een slaapkleed hem aangedaan, maar dat onder zijn arm gestoken hé en dat wat weggestoken, hij mocht dat niet zien!II -Nee, nee, natuurlijk.10 -En daar een mand zonder gat in, dat was een mand zonder gat (bodem) en een bundel stro mee, “potverdomme” zegt hij die die zo een beetje, hij hakkelde nogal een beetje, haperen verstaat ge zo?I -Ja.II -Hakkelen, ja.10 -Zegt hij “Ah, godverdomme” zegt hij “dat is hier nogal een heel stamijn, eer dat ge iet kunt verdienen.” zegt hij. “Jamaar, dat is niet ver.” “Waar moet dat zijn?” zegt hij. “Ah” zeggen zeur (zij) “in den(het) bos hier.II -In de wijmenier? (Wijmenier = een plaats waar men twijgen kweekte die bij het mandenvlechten gebruikt werden.)10 -In de wijmenier, ja. Ja, ge hebt het alweer hé (bij het juiste eind) Jamaar ‘t is echt. (De informant prijst mijn vader omdat hij meteen op de gezochte woorden komt, ik zeg dat ik mijn vader meeneem omdat hij al die dingen veel beter kent dan ik. Informant beaamt dat mijn vader het inderdaad goed weet.)10 -Daarmee hé, jong, met een man of zeven of acht de Bijloke af hé, en hem op voorhand ingelicht wat dat hij moest doen hé, als hij ginder thuns(dan) staat, de een gaat al een beetje te ver hé, zegt hij: “gij zijt gelijk stoker, gij blijft bij vuur.” en hij zegt hij “Ge moet de mand voor dat vuur houden en goed gadeslaan, want ze komen af hé vanuit het donker en ze gaan allemaal naar dat licht komen hé, die trapganzen, ge moet vaneigens gadeslaan want als ge overbemand zijt moeten d’er u komen helpen voor ze te pakken.” (onverstaanbaar) “Jamaar, dat is goed dat ...”. Allez, zeur (zij) in de wijmenier daar beginnen lawijt te houden : (informant doet hier het geluid na). Met stokken zo op het hout smijten (slaan) en allemaal en gedruis maken en altijd: “brr, brr, brr” voor op te jagen hé en op de bomen een keer.(gelach)-Ja en als dat nu al tien minuten plaats gehad (gevonden) ôt(had)(Informant begint even te lachen), bij die zijn gehoor dat ze al ver waren en hij wierd al schou (bang)hé, peinst hij: “ik zitte’k ik hier zo alleen.” “Brr, brr, (schreeuw)” (gelach). Maar zij ôn(hadden) heur(zich) allemaal geplaceerd al (langs) de baan waar dat ze erin gekomen waren (in de wijmenier) als hij aanliept (ervandoor ging) dat hij heur (hen) moest passeren.(gelach). En een springt daarop in ‘t wit, en de andere vliegt daaruit met azo(zo) iet over zijn hoofd getrokken (schreeuw) (gelach). 11 -Hij was bij (bijna) dood, ze! 10 -Hij heeft er heel zekers thuns(dan) nog eindelijk iets van gehouden ze.11 -Van de schoute (angst) hé! Hé, stelt u dat een keer zelf voor!10 -En daarmee komt hij in dienen (dat) bos hé daar was daar een afsluiting, hij vloog hij daar dwersen (dwars) door hé, hij vloog hij daar achterwaarts over gelijk dat hij ...11 -En bloeden!10 -En dat was al bloed van in die draad en in die doornen.II -Bremen (bramen)?10 -Ja, hij lanceerde hij hem om daar door te geraken. Daarmee dat was geen avance hé, hij was betaterd allez, van het bloed. Als hij hier kwam, - vaneigens dat hij hier naartoe kwam gevlogen hé! - ze ôn (hadden) de poort vastgemaakt dat hij niet binnen en kon en hij op die poort klauwen om hier binnen te geraken en hij geraakte niet binnen en vandaar moest hij hem zo naar huis vluchten en als ze zij hoorden dat hij daar niet meer en rammelden, kwamen ze zij af hé en zij ôn (hadden) de sleutels, ze deden de poort open en ze kwamen op de hof en hij was naar huis en dat wijf (in het dialect heeft dit woord niet zo’n pejoratieve connotatie als in het A.B.N.) of wat dat dat ginder was, dat was ginder een heel spel hé en al zijn dingen ook kapot en al bloed. 11 -Hij was hij toen nog niet getrouwd ze.10 -Dat waren maar scharten (oppervlakkige schaafwonden, krabben), maar dat loopt ..., hij ôt (had) hij beginnen in zijn wezen (aangezicht) wrijven en zeur (zij) als ze hem zagen, waren ze schou van hem, omdat hij azo(zo) betaterd was.II -Ze peinsden dat ‘t de duvel was?11 -Maar hij moest niet meer gaan, ze.10 -Maar het was gedaan! Hij heeft allengs niet meer geweest, trapganzen vangen.II -En hij moest daar zitten op dat ding (die mand zonder bodem) voor ze door dat gat te jagen van die mand?10 -Ja.11 -Hij zat hij azo(zo) over die mand hé.10 -Jamaar ja, dat het een slimme geweest ôt (was) hé, ja, een gat alvoren is het open en en als de andere kant ook open was, ah ja dat is maar een doorpassage hé.II -Ah ja, kunnen ze erdoor lopen. 10 -Ze zouden zeur (zij) daardoor gelopen hên (hebben), maar hij zat hij daar op hé met zijn benen goed open voor ze te pakken hé.II -Maar was er daar achter misschien een vuur voor ze te lokken?10 -Dat vuur, ja.II -Dat was achter dat gat?10 -En ze ôn(hadden) dat gedaan dat hij zou achteruit gekomen hên (zijn) en op den duur in die vlam zijn gat zou ... (gelach). Dat heb ik niet durven zeggen omdat gij erbij waart. Dat besant (deert) toch niet hé?I -Nee, nee.11 - ... brandde dat hé, maar hij zat er een eindje af hé ziet ge het veurder (verder) ging hij niet gaan hé.10 -Hij ging altijd achteruit hé, maar dat wierd een wat heet aan zijn achterste en daarmee begon dat spel hé. Hij zegt in zijn eigen : “Ze zitten zeur (zij) hier niet meer rond hé.”, ja die “brr” en dat lawijt kwam van ver hé en “ik schuive, hier haast zit ik hier in brand al achtere” en daarmee liet hij dat in panne dat spel daar en d’er sprong enen op en “heu!” en hij hem laten vallen voor hem en hij dessen (verschrikkelijk hard rennen) maar hé! 11 -Kent ge dat? Ah ja in het donker!II -In het donker en als ze allemaal verkleed zijn in ‘t wit en al.10 -En mijn vader hé ...I -En was dat een jonge mens?10 -Dat was een mens van in de veertig, vijftig.II -Hij was nog niet getrouwd, zei ge?11 -Nee, nee, hij was nog niet getrouwd.II -Hij is achterna nog getrouwd toch?11 -Bah, ja ja.II -Wel, maar thuns(dan) zal hij zo oud niet geweest zijn.10 -Nee, nee, maar dat waren azo ook zo allemaal mannen zo ver in dezelfde jaren, een kleine twintig jaar. ‘t Waren daar geen oude bij.11 -Hoeveel jaren is dat al niet voorbij! Voor de oorlog.10 -Dat was azo in ..., maar schrikkelijk hé, jong.II -Hij is er ziek van geweest?10 -Ja ze! Ja ze!11 -Zeg jong, steekt u daar een keer in de Bijloke in het donker! En hij kende dienen (dat) bos niet, hé! Wij kenden dat, maar hij niet, ze! Hij ziet niemand niet meer en dood van schoute (angst) zijn! Nee, nee hij was nog niet oud ze.I -Die mens was niet van hier? (Daar hij het bos niet kende) Vanwaar was hij dan?10 -Ja, ja hij was van hier! Tôt, tôt (toch, toch). Hij was van Leeuwergem.11 -We kenden hem.I -Ah, maar omdat hij dienen (dat) bos niet kende of zo.II -Niet zo goed.11 -Dienen (dat) bos, wel ja, kende gij hem, jong? (tot mijn vader).II -Bah, neen ik, ik kenne’k ik de wijmenier ook niet. De Ketelbos dat ken ik.10 -Hij wist hij die bergen daar niet in liggen hé. Zij wisten dat ...(enorm onontwarbaar geroezemoes)10 - ... dikwijls plassen daarin liggen. ...wij vermeden dat vaneigens, omdat we wisten dat het aldaar was, maar die, poef! Erin hé!11 -En allemaal grachten en reen (boswegeltjes).(onverstaanbaar)10 -En hij was betaterd, hé! Poeh!I -Ocharme (al lachend).11 -Vaneigens, mijn moeder was wreed kwaad ze, ah ja, dat ze dat uitgestoken ôn(hadden). Ah ja, vaneigens dat. Nietwaar, moeder was wreed kwaad dat ze dat gedaan ôn (hadden)? (tot haar broer, informant 10)I -En wist die dat dan dat jullie dat opgezet hadden?II -Hij heeft hij dat nooit niet geweten hé.10 -Nee, nee.I -Hij is nog gekomen, daarna?11 -Bah, niet veel ne meer. Hij is, hij heeft hij heel zeker niet te danig lang geleefd ze, die mens.10 -‘t Is niet van dat te doen ze, maar hij was hij niet te heel goed (gezond) en hij heeft hij thuns(dan), hij is hij thuns(dan) toch een jaar of vijf zes nadien gestorven, ze.11 -Hij was toch getrouwd thuns (toen).10 -Ja, dat ik zou het u niet kunnen zeggen, misschien niet.II -Maar kwestie van zo bijeen te komen en al, Romens Ezalie en Romanie ...10 -Ah ja.II -Dat heb ik nog vaag gekend, want zij ôn (hadden) hier zeker één van de eerste televisies, hier bij ...11 -Jaos(ja zij (hadden))! Azo een grote.10 -De eerste?II -De eerste.10 -Ja?11 -Zal dat daar allemaal opstaan?II -Jaja, maar dat en geeft niet. En daar gingen we toen allemaal naar kijken.-Ja, we hebben ook nog weest kijken.
Onderwerp
ATU 1676 - The Pretended Ghost   
Beschrijving
Enkele mannen zaten op een avond bij de kachel verhalen te vertellen in het bijzijn van een jongen die een beetje achterlijk was. De mannen maakten die jongen wijs dat het een goede avond was om trapganzen te vangen. Toen de jongen vroeg wat trapganzen waren, antwoordde men: "Dat zijn grote ganzen waarmee je een aardige cent kan verdienen!" De jongen was meteen enthousiast om mee te gaan met de mannen. De mannen gingen met de jongen naar het bos. Ze zorgden ervoor dat de jongen een heel eind het bos in liep en daar alleen was. Eén van de mannen stookte een vuurtje, zogezegd om de trapganzen te lokken. Het was de bedoeling dat de jongen met zijn rug naar het vuur bleef staan om de ganzen te vangen wanneer ze kwamen aangelopen. In werkelijkheid hoopten de grapjassen dat de jongen met zijn achterste in het vuur zou belanden, maar dat gebeurd niet. De mannen gooiden snel een laken over zich een en speelden voor spook. De jongen liep doodsbang weg, liep schaafwonden op en scheurde zijn kleren. De jongen heeft nooit geweten dat zijn vrienden hem die avond een poets hadden gebakken, maar heeft wellicht wel iets overgehouden aan de angst die hij die avond had doorstaan. Vijf of zes jaar later is hij gestorven.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
10C
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Leeuwergem   
