Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WJACK0351_0352_5974 - Hij had de vezels van de zakdoek tussen zijn tanden hangen: variant

Een sage (mondeling), 1958

Hoofdtekst

Ene jong van Eigenbilzen vrijde met een struise van Gellik. Maar dat meisje woor een sjrèjos (naaister) en werkte bij die jong. En 's avonds gong er dat meisje naar huis brengen. Ze gongen liever 's avonds en 't meisje had zo bang. Toen kwamen ze vooraan in het dorp en de jong zei: 'Nu gank maar alleen de bis wiet (ver) genoeg maar dat meisje woor zo bang voor de wèrewolf en er zei: 'De moes (ge moet) nie bang zijn. Hier hebste (hebt ge) mijne maalplag (zakdoek) en dan doet er dech niks (niets).' 't Meisje vroeg: 'Wat moet ich daarmee doen?' - 'Ja', zegt er, 'De moes dat in zijn muil werpen. Dan snapt er dat.' - 'Goed' zei 't meisje. En toen kwam er al af. 't Meisje wierp de maalplag in zijn muil en naar huis. 's Anderendaags moest 't weer werken gaan en toen zag het de vetsen (vezels) van de maalplag in zijn muil. Toen woor zijne jong ene weerwolf.

Onderwerp

SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.    SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   

Beschrijving

Een jongen uit Eigenbilzen ging 's avonds zijn vriendin naar huis brengen. Toen het tweetal het dorp bereikte, sprak de jongen tot het meisje: "Ga vanaf hier maar alleen verder. Je hoeft niet bang te zijn. Mocht er een hond op je afkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil". Het meisje deed wat haar was aangeraden. De volgende dag stelde het meisje tot haar grote ontsteltenis vast dat haar vriend de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.

Bron

W. Jackers, Leuven, 1958

Commentaar

1.6 Weerwolven
limburgs (bilzen)
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Mopertingen    Mopertingen   

Plaats van Handelen

Eigenbilzen    Eigenbilzen