Hoofdtekst
Overlaatst heb ik nog eens iets horen vertellen van iemand die hier vroeger te vrijen kwam. En er waren twee andere: Scheldiese Karie (Oscar Verschelden) en Keuninkske Juul (Jules De Coninck) en Karie was de opstoker en hij zegt tegen Juul, dat was in de tijd van dat hof waar Kortierkies wonen, aan de andere kant van de brouwerij Verlinden, (Stoopies wijf haar thuis (De Stooop)). En hij komt daar te vrijen en Karie zegt: “Juul, we gaan hem eens doen spetsen, we gaan vanavond eens toveren. Ik heb er nog een oud slecht slaaplaken liggen. Doe een koeketen aan en als hij bijna aan u is, geef een sprong achter de struiken en schud eens aan de keten. Hij zal het niet intijds kunnen slikken.” En Juul had dat gedaan zoals Karie dat gezegd had, maar ’t was anders als hij bijna aan de struiken was. Juul sprong eens achteruit en vooruit. En die ander zei: “Ah ja… Ge zoudt mij willen schui maken, wacht een minuutje.” En hij trok een brok van een branke uit en hij kroop op die borm en ze mochten lopen zulle.
Beschrijving
Een jongen ging vaak op bezoek bij zijn geliefde in Edelare. Op een dag besloten enkele grapjassen hun verliefde vriend een poets te bakken. Ze verkleden zich met een laken en en ketting. Toen de verliefde jongen de spookverschijning zag, greep hij een stuk hout en kroop op de berm, zodat de grapjassen bang wegliepen.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (zuiden)
75F
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Edelare   
Plaats van Handelen
Edelare   
