Hoofdtekst
Overtijd ’t waren hier al bussschen, en op een zekeren avond, ’t waren een groepje houthakkers, en zieder kommen van nulder werk, maar ’t was daar een pensejager bij. Zegt’n als ’n toekomt: “Op dien blok”, zei’n, “vannacht ten twaalven, daar stoeg (stond) er een keerse te branden”, en zegt er een anderen van die houthakkers: “Sjiek (pruimtabak) è gij” “Ja’k”, zegt’n. “Ewè”, zegt’n, “me gaan een pintje gaan pakken”. Daarmee begosten ze hout hakken. De volgende nacht goeng die persoon die z’n beetje toebak presenteerde, en hij kapte dien blok uit. Maar ’s anderendaags ’s nuchtends was dien persoon die dien blok uitgekapt hadde, niet meer opgekomen om te haken (hakken), zeggende dat ’n niet goed was en hij heeft niet meer gehaakt en gewerkt, en hij leefde op zijn gemak. En de menschen zeien onder mekaar: “Hij heeft daar moeten een geldpot gevoengen hebben”.
Onderwerp
SINSAG 0183 - Schatzfeuer zeigt die Stelle, wo der Schatz ruht.
  
Beschrijving
Enkele houthakkers wandelden na het werk samen naar huis. Eén van de mannen had de gewoonte om te gaan stropen en zei: "Vorige nacht heb ik hier op deze houtblok een brandende kaars zien staan". De mannen gingen samen op café. 's Nachts ging de stroper weer naar het bos om de houtblok uit de grond te trekken. De volgende dag ging hij niet meer mee met de andere houthakkers en zei: "Ik werk niet meer, ik wil wat rustiger leven". De andere mannen waren ervan overtuigd dat hun kameraad een schat had opgegraven.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (franse grens)
66
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
