Hoofdtekst
Ja, daar trouwde eens een fel wicht in Gelieren. Bij het Wouterke is dat lang café geweest, dat weet ik nog. Daar was eens een trouwfeest en ze gingen van de ene café naar de andere. En toen zei het meisje tegen de jongen, eh, de jongen tegen het meisje: 'Ik moet eens achter de haag een kommissie doen.' 'Daar', zei hij, 'daar is mijn zakdoek. Wandel maar, gaat maar uwe weg vooruit. Maar als u iets molesteert (= kwaad doet), pak die zakdoek en slaat hem die in zijn gezicht.' En het meisje en die anderen hadden nog wat gegaan en daar komt een grote hond af en die wou dat meisje aanvallen. En als het sloeg met die zakdoek en het sloeg hem in het gezicht en het was zijn eigen jongen waar het mee getrouwd was. Toen veranderde hij: van een weerwolf werd hij toen een man hè. Toen ze bij Willemes kwamen, was het zijn eigen vent. Die had de vetsemen tussen zijn tanden steken.- Alle drie: Als hij met dat geplaagd zit, dat moet eruit, dat moet eruit.- Poleke: Hij moet kunnen kwaad doen, jong.- Juul: Ja, kwaaddoen, hij moet kunnen kwaaddoen.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Bij een trouwfeest in Gelieren gingen de feestgangers van het ene café naar het andere. Opeens sprak de bruidegom tot zijn bruid: "Ik moet even een boodschap doen achter de haag. Ga maar verder en neem deze zakdoek mee. Mocht je onderweg een hond tegenkomen, gooi dan die zakdoek naar zijn muil". Even later kwam het meisje inderdaad een hond tegen. Ze deed wat haar was aangeraden en gooide de zakdoek naar de muil van het dier. Toen het pasgetrouwde paar bij W. kwam, stelde het meisje verschrikt vast dat haar echtgenoot de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
f'
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Genk   
Plaats van Handelen
Gelieren (Genk)   
