Hoofdtekst
Beschrijving
Rond de kapel van Vollezele woonden veel kinderen. Op een avond had een grapjas een schapenvel over zijn hoofd gehangen, waar de pootjes nog aan hingen. Met dat vel over zijn hoofd ging de man aan een deur krabben. De deur ging open. Toen de meisjes die in dat huis zaten, het ‘beest’ zagen binnenkomen, sprongen ze op tafel, begonnen kruistekens te maken en luidop te bidden. Daarna ging de grapjas naar het huis waar zijn vriendin woonde. Op het moment dat die man een geweer tevoorschijn haalde, ging de grapjas voort. Hij zag een boer en een boerin die hun stal binnengingen om de koeien te melken. Toen de koeien de grapjas zagen, begonnen ze te springen. De zwangere boerin viel onder de koeien. De grapjas heeft later nooit durven bekennen dat hij een dergelijke grap had uitgehaald omdat hij bang was dat er met de boerin iets zou zijn gebeurd. Bij zijn thuiskomst wilde de man ook nog zijn vader bang maken. De man haalde echter zijn mestvork boven, waarop de zoon snel riep: “Ik ben het vader!”
Bron
F. Vandesype, Leuven, 1977
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
brabants (zuid-west)
99J
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vollezele   
Plaats van Handelen
Vollezele   
