Hoofdtekst
X: Stalkaarsen, kent ge dat ook?Ja, dat bestond ook. En de mensen waren daar vlammende schui van. Ik heb dat ook nog gezien. We kwamen er een tegen, we kwamen met vijf man naar huis van de Ommegang. Het was rond één, twee uur 's morgens en aan Potjes Lochting (de Heirweg), in een branke, zagen we daar drie klare kaarsen: hier eentje, daar eentje en daar eentje. En Tuurse Sielie (Achiel de Turck) was de domste. „Kijk, Jef, kijk eens, een stalkaars", zei hij, „kijk, nog één en nog één!". We staan er een beetje op te kijken en ik zeg: „Wat zou dat zijn?". „Jamaar", zei Sielie, „daar moogt ge niet aangaan". Ik zeg tegen Cyriel : „Willen we eens gaan kijken?". Maar hij durfde ook niet. Ik zeg: „Ik heb er al veel van horen spreken, ik heb dat nog niet gezien, ik ga kijken". Ik stapte over die ijzerdraad en 'k ging daar naar toe. En dat was zo'n dingske, zo'n vijf cm lang en dat blonk als een spiegel. Ik zeg : „Gasten, ik heb ze". Ik pakte dat en dat was een worm En ‘k pakte ze alle drie en ik kwam daarmee bij die gasten. Ik zei: „Doe eens een stekske branden". En ik deed een stekske branden en je zag dat niet meer. En als dat stekske dood was, wierp ik ze daar en het blonk weer.
Beschrijving
Vijf mensen kwamen omstreeks één of twee uur ’s nachts terug van een bedevaart. Onderweg zagen de mensen drie kaarsen in een boomstronk. Een man ging dichterbij en zag dat het lichtje zo’n vijf centimeter lang was. Het lichtje bleek een worm te zijn.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (zuiden)
41C
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Cornelis-Horebeke   
