Hoofdtekst
En nog etwa (iets) van Paster Lootens, n’hadde hij vele macht, wè. ’t Waren een keer een paar mensen die de zondag naar zee gingen achter hout die aangespoeld was, en Lootens brevierde daar in de duinen en je (hij) kwam die twee mensen tegen en datten zei: je moet naar de vespers gaan in plekke van achter hout. Zo, z’horten (luisterden) zieder (zij) daar niet achter, ze gingen toch voors en z’hebben maar de maandagnuchtend moe en versleten nunder (hun) huis weregevonden. Geheel den tijd hebben ze in de duinen blijven lopen. Ciessen Mackelberghe heeft dat tegengekomen. Je (hij) was hij een d’r van. Ne doolde hij een gehele nacht in de duinen en d’r niet uitgeraken he en ’s nuchtens zagen ze waardat ze waren.
Onderwerp
SINSAG 00666   
Beschrijving
Enkele mensen die op een zondag naar het strand gingen om aangespoeld hout te verzamelen, kwamen de pastoor tegen, die zei dat ze naar de vespers moesten gaan in plaats van op het strand te vertoeven. De mensen negeerden de opmerking van de pastoor en werkten voort. Pas maandagochtend kwamen de mensen uitgeput thuis. Ze waren in de duinen verdwaald geraakt. De pastoor had daarvoor gezorgd.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (kamerlingsambacht)
264
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nieuwpoort Bad   
