Hoofdtekst
‘t Was één die altijd bij zijn ouders weunde en zegt ie tegen zijn ouders: "’t Is toch iets dat ‘k nooit geen werk heb!" En ommeddekeer peinsd’ie: "’k Ga bij den duivel gaan werken; maar ja", zegt ie, "dat is veel te gevaarlijk" en hij zocht ’n ander werk.Een beetje later, hij ging uit, en rond ten twaalven van de nacht, hij kwam op ’n plekke en der komt ‘nen here bij hem: "Is ’t waar garçon", zegt ie, "dat ge gaan werk hebt?" – "Nee’k!" zegt ie. "Zoudt ge voor mij willen werken?" zegt ie, "ik ga u werk geven, eerst , om te proberen: drie maanden. Kijk", zegt ie, "op dien dag en die ure moet ge hier were zijn om met mij mee te gaan."Dien tijd was gesteld en hij was daar were. "Zet uwen voet op de mijnen" zegt dienen here. Hij zette zijnen voet op de zijnen en hij was direkt waar hij moeste zijn! Hij moeste niets anders doen of deuren open doen en ’t ging altijd maar volk in en ’t kwam nooit geen buiten. En zegt ie: "Dat is raar!" zegt ie, in zijn eigen alzo.En hij verdiende veel geld.En achter drie maanden mocht hij ‘ne keer naar huis gaan. Hij had zijn geld mee en zegt zijn moeder: "Ge hebt wel veel geld mee!" En ze pakte dat geld en smeet ’t in de lade neffens de briefkens, en de briefkens schoten in brande! Zegt de moeder: "’t En deugt niet, ge werkt gij bij den duivel!" – "Zou dat bij den duivel zijn dat ‘k werke?" zegt de jongen. "Ja’t", zegt ze, "’k en wete niet of ge daar lange gaat werken; ge gaat voorzekers verongelukken! ‘k Zou best ‘ne keer bij de paster gaan." En zegt de paster: "’t En is niet zuuste, als dat geld zo warme is dat ’t ander geld in brande schiet: ’t en is niet goed!" zegt ie, "zeg’ne keer dat die jongen bij mij komt. Maar hij moet te midden van de nacht komen, als dienen here ook in gang is!" zegt ie.En die jongen ging bij hem in de kerke in den biechtstoel en hij deed uiteen hoe dat ’t geweest was. En binst dat hij bezig was, dienen here komt in de kerke: "Garçon", zegt ie, "ge weet dat ge moet naar uw werk komen!" zegt ie. "Ewel", zegt de paster, "blijft gij in den biechtstoel. ‘k Ga ‘k ik uitkomen!" En hij gaat naar dien here en zegt ie: "Mijnhere, hetgeen wat dat die jongen u gegeven heeft, geef ’t hem were. En hetgeen dat gij gegeven hebt, gaat ge ook were krijgen!" En de paster smeet met water. Den here tuitte en hij was weg!...
Onderwerp
SINSAG 0907 - Teufelsgeld.   
Beschrijving
Een man die bij zijn ouders woonde, ergerde zich aan het feit dat hij geen werk kon vinden en zei: "Als het niet zo gevaarlijk was, zou ik bij de duivel gaan werken!"
Toen de man op pad was, kwam hij om middernacht een heer tegen, die zei: "Zou je voor mij willen werken? Dan moet je op die dag en op dat uur hier opnieuw staan om met mij mee te gaan". De man stemde toe en stond klaar op het afgesproken tijdstip. De man moest zijn voet op die van de heer zetten en was even later al op zijn bestemming. De man verdiende veel geld en moest enkel de deur openen voor mensen die binnenkwamen. Vreemd genoeg kwam nooit iemand van die mensen weer buiten. Toen de man drie maanden later eens naar huis mocht gaan, gaf hij het verdiende geld aan zijn moeder. De moeder legde het geld in een lade naast andere geldbriefjes. De vrouw zag echter dat het geld van haar zoon in brand vloog en riep: "Dat deugt niet. Jij werkt voor de duivel!" Op aanraden van zijn moeder ging de man tegen middernacht naar de pastoor. In de biechtstoel vertelde de jongen wat er was gebeurd. Om middernacht kwam de heer binnen in de kerk en zei: "Jongen, je moet weer aan het werk!" De pastoor liet de man in de biechtstoel zitten, en sprak zelf tot de heer: "Meneer, geef alles terug wat die jongeman jou heeft gegeven. Jij zal ook terugkrijgen wat je aan hem hebt gegeten". Toen de pastoor met wijwater gooide, was de heer plots verdwenen.
Toen de man op pad was, kwam hij om middernacht een heer tegen, die zei: "Zou je voor mij willen werken? Dan moet je op die dag en op dat uur hier opnieuw staan om met mij mee te gaan". De man stemde toe en stond klaar op het afgesproken tijdstip. De man moest zijn voet op die van de heer zetten en was even later al op zijn bestemming. De man verdiende veel geld en moest enkel de deur openen voor mensen die binnenkwamen. Vreemd genoeg kwam nooit iemand van die mensen weer buiten. Toen de man drie maanden later eens naar huis mocht gaan, gaf hij het verdiende geld aan zijn moeder. De moeder legde het geld in een lade naast andere geldbriefjes. De vrouw zag echter dat het geld van haar zoon in brand vloog en riep: "Dat deugt niet. Jij werkt voor de duivel!" Op aanraden van zijn moeder ging de man tegen middernacht naar de pastoor. In de biechtstoel vertelde de jongen wat er was gebeurd. Om middernacht kwam de heer binnen in de kerk en zei: "Jongen, je moet weer aan het werk!" De pastoor liet de man in de biechtstoel zitten, en sprak zelf tot de heer: "Meneer, geef alles terug wat die jongeman jou heeft gegeven. Jij zal ook terugkrijgen wat je aan hem hebt gegeten". Toen de pastoor met wijwater gooide, was de heer plots verdwenen.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
3.1 Duivels
west-vlaams (tussen schelde en leie)
585
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Tiegem   
