Hoofdtekst
Het geheime muurluik.
Als ie nuchter was, die Driek, dan was het een goeie, ronde kerel. Hij diende op de hoeve van Valkenburg. Een werker, een zwoeger, die 't vroegst op stond en het laatst van allen naar bed ging. Het bedrijf op de boerderij behartigde hij, als was het z'n eigen bedrijf. Als Driek op den akker, te spitten stond, dan bleef z'n rug gebogen, dan sneed de spade in den stuggen bodem, dan bleef hij 'weerbiejen' tot het werk gedaan was. Als de boer hem soms riep, dat hij moest komen eten of koffie-drinken dan bleef hij op zulke dagen koppig doorwroeten. Eerst moest ie klaar zijn. De baas van de hoeve vond Driek wel een aardige, maar hij liet hem maar stil 'betijen'. Z'n knecht was een beste vent als ze heem niet kwaad maakten. Maar die drank! Dat was het gebrek van Driek. Zes dagen in de week zwoegde hij als een paard: den zevenden dag kon het hem niets bommen, dan wilde hij 't er eens van nemen! Als hij des Zondags z'n eten op had, dan zag de boer hem niet meer den heelen 'achtermiddag'. Dan trok hij al de herbergen in den omtrek af, en de landelijke afspanningen land de Bredasche Baan, en dronk overal een lustigen dronk.
Dan leefde hij op, dan praatte hij met z'n makkers, dan dronken ze op elkanders gezondheid, dan knotsten de steenen kroezen op de houten herbergtafels, dan schuimde het versche bier uit de brouwerijen van Chaam. Dan golsde het lavende vocht door de dorstige kelen; dan moest de waard telkens komen om opnieuw de pinten te vullen.
Tot het donker begon te worden. Dan wilde Driek het wat sterker aan pakken. Dan begon hij met klare jenever. De drank kraalde in de smoezelige glaasjes. Suf en lodderoogend bezag de knecht het zwijgende spel der kaartende boeren. De olielamp brandde dof, wierp een onwezenlijke klaarte in de lage zwaargebalkte gelagkamer. Dan zoog hij steeds meer het verraderlijke vocht in, smakkend met de tong en zich likkend langs de lippen. Tot in den laten avond, de een na de ander opstond en heenging. Dan waggelde ook eindelijk Driek op de been, en hoe hij nog veilig thuis raakte op de hoeve van Valkenburg, dat was een onopgelost raadsel. De drankduivel had hem in zijn klauw. En de loerende satan, die één dag in de week de kans schoon zag, zou hem nog eens in zijn valsche listen verstrikken.
En nou voor 't laatste gewaarschuwd, Driek!' zeide dien Zondagmiddag de baas van Valkenburgsshoef. 'Als ge 't avond niet vóór elf uur thuis zijt, sta- de voor de gesloten deur. En ge komt noet meer binnen, nou kunde kiezen!' - 'Ik zal op tijd zijn baas!' had de knecht gezegd.
En daarna was hij weer zijn oude wegen gegaan. Hij ging er een nemen in 'den Druivelaar', en vergat geen enkele van z'n vaste vrinden. Maar 't was dien Decemberdag vroeg donker geworden, en zoo zat hij nu in Ulvenhout in den 'Vergulden Adelaar'. Daar zou hij maar blijven van avond. En dan zou hij wel zorgen om elf uur bij den boer thuis te zijn. 't Werd er vol, in den 'Vergulden Adelaar'. Onder de lamp, de een zwak rood schijnsel over tafel en wanden wierp, zat een groep te kaarten. Er werd niet veel gesproken; maar de stilte hing wegend, zwaar van gedachten, rondom hun denkende hoofden. In een hoek bij den muur zat een groep te drinken. En Driek, de knecht, was er in z'n Zondagsche stemming. Hij had verteld, wat z'n baas gezegd had en vandaag wou hij om elf uur thuis zijn. Maar de duizel van het zware bier, en de bedwelming van den prikkeldenden drank was over hem gekomen, hij zat versuft te kijken, wist niet eens meer dat zijn makkers de klok in de gelagkamer een uur hadden terug gezet! Ze wilden eens zien of Driek ook leeren zou, als hij den nacht eens in de kou, aan den wegkant moest doorbrengen.
De klok wees vijf voor elven, toen Driek aanstalten maakte om heen te gaan. Na lang zoeken vond hij ook nog geld, er flitste hem vaag door de vermoeide hersens, dat hij op tijd thuis moest zijn. Dat had de baas gezegd. Hij hoorde hoe z'n makkers lachten. - 'Ge komt te laat vanavond! Blijf nog maar wat hier!' maar Driek was naar de deur gestrompeld. 'Ik moet vanavond op tijd thuis zijn' had hij gezegd. 'Ik moet en ik zal, al moest de duivel mij helpen!' Hij stond nu buiten op den doodstillen weg. Zwart, zwart was de hemel. Hij hoorde boven zijn hoofd de takken der boomen zachtje ruischen, als fezelden overal fluisterende stemmen. 't Water van de sloot aan den kant van de baan glom als git. Hu! Wat was dat daar? Een monster op vier pooten, een hond, koolzwart, kwam naar hem toegeslopen. Die roode oogen brandden als vuur in den kop, de tong, bloedrood, lekte gierig langs den muil. De kille schrik deed den knecht het bloed in de aderen bevriezen. Het beest sprong tusschen zijn beenen, hij tuimelde door den schok, hij viel achterover op 't ondier, dat grommend knorde. Het spookdier droeg hem op z'n rug! Willoos liet Driek zich meevoeren. In vliegende vaart ging 't voort! De koele wind suisde langs zijn ooren, maar de donkerte, die over de landen lag, bleef ondoorgrondelijk. Dit was de Duivel! Driek voelde het; 't angstzweet brak hem uit; 't parelde in droppeld op z'n huid. En de helsche hond liep maar door! Zoo vlug! Zoo vlug! Daar hoorde Driek een galmenden klokslag. Hij dreunde aan uit het noorden, van den Bavelschen toren, die daar heel ver opdoemde. Driek telde. Eén... twee... drie... vier... Traag en lang gerekt stierven de klanken uit over de slapende velden. Hij telde, hij telde... Vergiste hij zich? 't Sloeg twaalf uur! Doch met den laatsten klokslag van het lugubere, middernachtelijk uur voelde Driek een schok en hij rolde van den rug van den hond. Daar lag hij in 't gras. Hij krabbelde overeind. Waar was hij? Ineens zag hij het. Hij was thuis, hij stond bij de deur der hoeve. Zijn grove vuist bonsde op het hout, want hij voelde dat de grendel er voor zat. - 'Baas! Baas! Doe open voor dezen eenen keer!' zoo riep hij. Maar 't bleef stil. Hij bonsde harder nu. Toen zag hij door 't bovenlicht dat de boer met een lantaarn aankwam. - 'Ge komt er niet in vannacht. Ik heb gewaarschuwd. Ge bent 'n uur over tijd.' De baas ging weer naar bed. Daar stond de knecht. En nu, daar buiten in de nachtelijke koude, in dat somber uur der spokende geesten, nu overmeesterde hem een woede, grimmig en geweldig. Hij vloekte, hij sakkerde, hij rende, als een razende om het huis, zoekend of hij nergens binnen kon komen, langs stal of schuur of kelder.
De hond, dat ruige, spokende monster, rende mee, snuffelend en speurend. Maar alles was stevig gesloten en gegrendeld. 'Ik wil binnen, ik zal binnen!' raasde de knecht. In baloorigheid rukte hij z'n pet van 't hoofd. Daar!! En hij smeet ze tegen den muur van 't huis... Dadelijk scheurde de muur geruischloos open, een diepe donkere spleet werd zichtbaar. Ze gaapte zwart, als een afgrond vol helsche verdoemenis, donker, tastbaar donker... Grommend stortte de hond zich, met één sprong in het geheime luik, en was spoorloos verdwenen. Driek bukte zich, begreep dat hem nu een weg gebaand was. Hij kroop naar binnen... de afgrond hield hem gevangen.
Des morgens vond de boer, hoogst verwonderd zijn knecht te bed liggen. Maar naderbij komend, bemerkte hij met schrik, dat hij verworgd was...
En buiten komend, vond hij in den muur het gat, dat hem onverklaarbaar leek. Maar geen enkele metselaar kon dit geheimzinnig luik dichtmetselen... Er scheen een vloek te waren rond die plek. En een veertig jaar geleden werd de hoeve geheel afgebroken om elke herinnering weg te wissen.
Als ie nuchter was, die Driek, dan was het een goeie, ronde kerel. Hij diende op de hoeve van Valkenburg. Een werker, een zwoeger, die 't vroegst op stond en het laatst van allen naar bed ging. Het bedrijf op de boerderij behartigde hij, als was het z'n eigen bedrijf. Als Driek op den akker, te spitten stond, dan bleef z'n rug gebogen, dan sneed de spade in den stuggen bodem, dan bleef hij 'weerbiejen' tot het werk gedaan was. Als de boer hem soms riep, dat hij moest komen eten of koffie-drinken dan bleef hij op zulke dagen koppig doorwroeten. Eerst moest ie klaar zijn. De baas van de hoeve vond Driek wel een aardige, maar hij liet hem maar stil 'betijen'. Z'n knecht was een beste vent als ze heem niet kwaad maakten. Maar die drank! Dat was het gebrek van Driek. Zes dagen in de week zwoegde hij als een paard: den zevenden dag kon het hem niets bommen, dan wilde hij 't er eens van nemen! Als hij des Zondags z'n eten op had, dan zag de boer hem niet meer den heelen 'achtermiddag'. Dan trok hij al de herbergen in den omtrek af, en de landelijke afspanningen land de Bredasche Baan, en dronk overal een lustigen dronk.
Dan leefde hij op, dan praatte hij met z'n makkers, dan dronken ze op elkanders gezondheid, dan knotsten de steenen kroezen op de houten herbergtafels, dan schuimde het versche bier uit de brouwerijen van Chaam. Dan golsde het lavende vocht door de dorstige kelen; dan moest de waard telkens komen om opnieuw de pinten te vullen.
Tot het donker begon te worden. Dan wilde Driek het wat sterker aan pakken. Dan begon hij met klare jenever. De drank kraalde in de smoezelige glaasjes. Suf en lodderoogend bezag de knecht het zwijgende spel der kaartende boeren. De olielamp brandde dof, wierp een onwezenlijke klaarte in de lage zwaargebalkte gelagkamer. Dan zoog hij steeds meer het verraderlijke vocht in, smakkend met de tong en zich likkend langs de lippen. Tot in den laten avond, de een na de ander opstond en heenging. Dan waggelde ook eindelijk Driek op de been, en hoe hij nog veilig thuis raakte op de hoeve van Valkenburg, dat was een onopgelost raadsel. De drankduivel had hem in zijn klauw. En de loerende satan, die één dag in de week de kans schoon zag, zou hem nog eens in zijn valsche listen verstrikken.
En nou voor 't laatste gewaarschuwd, Driek!' zeide dien Zondagmiddag de baas van Valkenburgsshoef. 'Als ge 't avond niet vóór elf uur thuis zijt, sta- de voor de gesloten deur. En ge komt noet meer binnen, nou kunde kiezen!' - 'Ik zal op tijd zijn baas!' had de knecht gezegd.
En daarna was hij weer zijn oude wegen gegaan. Hij ging er een nemen in 'den Druivelaar', en vergat geen enkele van z'n vaste vrinden. Maar 't was dien Decemberdag vroeg donker geworden, en zoo zat hij nu in Ulvenhout in den 'Vergulden Adelaar'. Daar zou hij maar blijven van avond. En dan zou hij wel zorgen om elf uur bij den boer thuis te zijn. 't Werd er vol, in den 'Vergulden Adelaar'. Onder de lamp, de een zwak rood schijnsel over tafel en wanden wierp, zat een groep te kaarten. Er werd niet veel gesproken; maar de stilte hing wegend, zwaar van gedachten, rondom hun denkende hoofden. In een hoek bij den muur zat een groep te drinken. En Driek, de knecht, was er in z'n Zondagsche stemming. Hij had verteld, wat z'n baas gezegd had en vandaag wou hij om elf uur thuis zijn. Maar de duizel van het zware bier, en de bedwelming van den prikkeldenden drank was over hem gekomen, hij zat versuft te kijken, wist niet eens meer dat zijn makkers de klok in de gelagkamer een uur hadden terug gezet! Ze wilden eens zien of Driek ook leeren zou, als hij den nacht eens in de kou, aan den wegkant moest doorbrengen.
De klok wees vijf voor elven, toen Driek aanstalten maakte om heen te gaan. Na lang zoeken vond hij ook nog geld, er flitste hem vaag door de vermoeide hersens, dat hij op tijd thuis moest zijn. Dat had de baas gezegd. Hij hoorde hoe z'n makkers lachten. - 'Ge komt te laat vanavond! Blijf nog maar wat hier!' maar Driek was naar de deur gestrompeld. 'Ik moet vanavond op tijd thuis zijn' had hij gezegd. 'Ik moet en ik zal, al moest de duivel mij helpen!' Hij stond nu buiten op den doodstillen weg. Zwart, zwart was de hemel. Hij hoorde boven zijn hoofd de takken der boomen zachtje ruischen, als fezelden overal fluisterende stemmen. 't Water van de sloot aan den kant van de baan glom als git. Hu! Wat was dat daar? Een monster op vier pooten, een hond, koolzwart, kwam naar hem toegeslopen. Die roode oogen brandden als vuur in den kop, de tong, bloedrood, lekte gierig langs den muil. De kille schrik deed den knecht het bloed in de aderen bevriezen. Het beest sprong tusschen zijn beenen, hij tuimelde door den schok, hij viel achterover op 't ondier, dat grommend knorde. Het spookdier droeg hem op z'n rug! Willoos liet Driek zich meevoeren. In vliegende vaart ging 't voort! De koele wind suisde langs zijn ooren, maar de donkerte, die over de landen lag, bleef ondoorgrondelijk. Dit was de Duivel! Driek voelde het; 't angstzweet brak hem uit; 't parelde in droppeld op z'n huid. En de helsche hond liep maar door! Zoo vlug! Zoo vlug! Daar hoorde Driek een galmenden klokslag. Hij dreunde aan uit het noorden, van den Bavelschen toren, die daar heel ver opdoemde. Driek telde. Eén... twee... drie... vier... Traag en lang gerekt stierven de klanken uit over de slapende velden. Hij telde, hij telde... Vergiste hij zich? 't Sloeg twaalf uur! Doch met den laatsten klokslag van het lugubere, middernachtelijk uur voelde Driek een schok en hij rolde van den rug van den hond. Daar lag hij in 't gras. Hij krabbelde overeind. Waar was hij? Ineens zag hij het. Hij was thuis, hij stond bij de deur der hoeve. Zijn grove vuist bonsde op het hout, want hij voelde dat de grendel er voor zat. - 'Baas! Baas! Doe open voor dezen eenen keer!' zoo riep hij. Maar 't bleef stil. Hij bonsde harder nu. Toen zag hij door 't bovenlicht dat de boer met een lantaarn aankwam. - 'Ge komt er niet in vannacht. Ik heb gewaarschuwd. Ge bent 'n uur over tijd.' De baas ging weer naar bed. Daar stond de knecht. En nu, daar buiten in de nachtelijke koude, in dat somber uur der spokende geesten, nu overmeesterde hem een woede, grimmig en geweldig. Hij vloekte, hij sakkerde, hij rende, als een razende om het huis, zoekend of hij nergens binnen kon komen, langs stal of schuur of kelder.
De hond, dat ruige, spokende monster, rende mee, snuffelend en speurend. Maar alles was stevig gesloten en gegrendeld. 'Ik wil binnen, ik zal binnen!' raasde de knecht. In baloorigheid rukte hij z'n pet van 't hoofd. Daar!! En hij smeet ze tegen den muur van 't huis... Dadelijk scheurde de muur geruischloos open, een diepe donkere spleet werd zichtbaar. Ze gaapte zwart, als een afgrond vol helsche verdoemenis, donker, tastbaar donker... Grommend stortte de hond zich, met één sprong in het geheime luik, en was spoorloos verdwenen. Driek bukte zich, begreep dat hem nu een weg gebaand was. Hij kroop naar binnen... de afgrond hield hem gevangen.
Des morgens vond de boer, hoogst verwonderd zijn knecht te bed liggen. Maar naderbij komend, bemerkte hij met schrik, dat hij verworgd was...
En buiten komend, vond hij in den muur het gat, dat hem onverklaarbaar leek. Maar geen enkele metselaar kon dit geheimzinnig luik dichtmetselen... Er scheen een vloek te waren rond die plek. En een veertig jaar geleden werd de hoeve geheel afgebroken om elke herinnering weg te wissen.
Beschrijving
Driek, een ijverige boerenknecht, ging iedere zondag naar de stad om zich te goed te doen aan veel drank. Op een dag was zijn baas het zat en zei Driek om 11 uur thuis te zijn, anders zou hij de nacht buiten door moeten brengen. Driek ging veel te laat weg uit de herberg en dreigde te laat te komen. Opeens verscheen er een hellehond. Deze droeg Driek op zijn rug naar huis. Maar Driek kwam er niet meer in, hij was echt te laat. In zijn woede gooide Driek zijn pet tegen de muur. Deze scheurde open en de hond en de knecht gingen naar binnen. De volgende morgen werd Driek dood in zijn bed aangetroffen. Het mysterieuze gat in de muur was niet te dichten.
Bron
Hub. Kunst. Brabantsche sagen: aan de boeren van Brabant, die nog de sagen van hun land bewaren. Turnhout, 1934. p. 24-30
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Driek   
Bredasche Baan   
Den Druivelaar   
Ulvernhout   
Vergulden Adelaar   
Bavel   
Naam Locatie in Tekst
Valkenburg   
Chaam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
