Hoofdtekst
ene moulenaarsknecht ging ‘s ôves nor hös; hem ging in nen herberg binne en liet het peerd vuir de duir stôn; as hem trug bötekam, was het peerd weg; hem ging vedder en in nen holle weg ziet hem het peerd stôn; hem springt erop; en op hetzelfde oegenblik zat hem op de schouders van ene man en mê z’n voeten in dee zene zak.
Onderwerp
SINSAG 0697 - Seele in Tiergestalt.   
Beschrijving
Een molenaarsknecht die 's avonds naar een herberg ging, liet zijn paard buiten staan. Toen de knecht weer naar buiten kwam, vond hij zijn paard in een holle weg wat verderop. De knecht sprong op het paard en voelde dat hij op de schouders van een man zat.
Bron
A. Abeels, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
limburgs (sint-truiden)
543
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Jeuk   
