Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MDREE0378_0379_2768 - Vrijer geeft zijn zakdoek aan een (zijn) meisje en verraadt zich als weerwolf op een kermis

Een sage (mondeling), 1967

Hoofdtekst

In Vrullingen bij Wellen was ene jong(en) wa met e metske (= meisje) kerseerde (= vrijde), en ze gingen samen noa de keremes. Mè die jong(en) speelde weerwolef en 's avonds gingen ze uit. Ineens kreegter dat op hem voor weerwolef te spelen. Toen ze(g)ter tegen het metske: 'Gaat maar door, ich kom noa! Moes(t) zej iet tegenkomen, hier is mijne maalneuzik (= zakdoek), gooit dat maar op hem!' Het metske kwam ene grote hond tegen en gooide de maalneuzik op zijn muil. Terna kwam de jong(en) terug bij 't metske en toen had er de vetse (= vezels) nog in zijn taan (= tanden) hangen. Dat he(ef)t die vrouw mich eiges verteld gehad.

Onderwerp

SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.    SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   

Beschrijving

In Vrullingen bij Wellen ging een jongen samen met zijn vriendin naar de kermis. Onderweg zei de jongen plots: "Ga jij maar verder; ik kom je wel achterna! Mocht je een hond tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil." Toen het meisje even later een hond tegenkwam, deed ze wat haar vriend haar had aangeraden. Even later kwam de jongen terug. Het meisje zag dat de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden hingen.

Bron

M. Dreezen, Leuven, 1967

Commentaar

1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1015 (1)
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Piringen    Piringen   

Plaats van Handelen

Wellen    Wellen   

Vrullingen    Vrullingen