Hoofdtekst
Ge weet, in den tijd, ’t koren werd afgepikt met een pikke en ’t vrouwvolk moeste dat binden hé. En ’t was ook een derbij die ‘ne rare name had, en ze deed niet, en de andere reklameerden. En ’s noens hielden ze ze ‘ne keer in d’oge. En ’t kwamen daar ook van die gastjes in ’t rood gekleed, ’n soorte kabouters, en ze bonden allemale heur bundels dat ze zij moeste binden. En ze gingen naar d’andere en overal waar dat ze passeerden, de bundels lagen open, en ze moesten het herdoen. En de heure waren gebonden.
Beschrijving
Enkele vrouwen die het koren moesten bijeenbinden, ergerde zich aan een vrouw die niet meehielp. 's Middags verschenen er echter in het rood geklede kabouters die het werk van die vrouw kwamen doen. De andere bussels koren waren allemaal losgemaakt, zodat de andere vrouwen hun werk opnieuw moesten doen.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (tussen schelde en leie)
330
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Tiegem   
