Hoofdtekst
’t Was een knecht die wunde bij een boer en die vader- en moederloos was. Hij vrochte bij een boer en hij hadde op een zeker punt een keer etwod misdreven, die den boer niet aanstoeg. Zegt’n tegen den knecht: “Je moet gij weg”. Dien knecht ging bij zijn maat die daar ook werkzaam was, zegt’n: “Je ziet er zo bedroefd uit, Henri”. “Ja’k”, zegt’n, “je weet dat ik noch vader noch moeder heb en ‘k moet weg, of ik heb nog één okkasie, ‘k moet tegen morgenuchtend ten 11, 11.30 h. een potje-ritje gemaakt hebben en een potje-ritje, wuk is dat?”“Wacht maar”, zegt de schaper, “morgenuchtend komt gij maar bij mij, en me gaan beginnen, me gaan een potje-ritje maken”. ’s Nuchtends zegt de schaper tegen de knecht: “Haalt een keer die koe uit, z’is tuchtig”. Den knecht doet dat. En de koe was lijk een beetje verachterd en als ze in ’t gras was, ze begunde bijten. “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. En de koe bleef daar alzo bijten. Zegt’n: “Haalt nu een keer de stier uit”. En hij dei dat. De stier natuurlijk rechtuit zijn plicht. “Houd vast”, zei de schaper. “Houd vast”, zei den knecht. Hij kuste niet meer af.Dat zwijn is ook aardig (raar), “haalt eens dat zwijn buiten”, zegt’n. Dat zwijn begint bijten aan die koe’s poten. “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. Dat zwijn en kuste niet meer af. Zegt’n: “’t Is daar meel op de zolder en gebroken haver en je mengelt dat en je brengt dat”. Den knecht gaat daarmee. “Smijt dat derover”. En alzo gauwe of dat het begoste dalen: “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. En dat meel bleef op ’t vel plakken. ’t Kuste er niet meer af. “Lost nu een keer heel ’t duivenkot”. En die duiven vlogen achter die haver en dat meel. Al die duiven waren daarop. Zegt’n: “Haalt eens de merrie uit”. En die merrie begoste ook peuken (knabbelen). “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. “Haalt nu een hengst uit”. En dien hengst zijn plicht, enè. “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. Dat was djuste en face van ’t huis en de boerinne ziet dat geweld. Zegt ze: “Wuk (wat) is dat ginder”? En ze loopt er naartoe met een perse (lange stok) om dat al van elkaar te slaan. “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. De perse bleef eraan plakken, ze koste niet meer weg en den boer in een vroede koleire komt ook afgelopen, ook met een lange perse. “En Godver... wuk is dat”? “Houd vast”, zei den schaper. “Houd vast”, zei den knecht. “Hewel, patron, is je pispotje-ritje groot genoeg?” “Ja’t”, zei den boer, “je meug blijven”! “Gaat los”, zei den schaper. “Gaat los”, zei den knecht. En ’t was al gescheed (gescheiden) en gedaan.
Beschrijving
Een jongen wiens vader en moeder overleden waren, werkte als knecht bij een boer. Toen de knecht op een dag iets mispeuterd had, werd hij door de boer ontslagen. De knecht ging zijn beklag doen bij een andere jongen die op de boerderij werkte en zei: "Ik heb geen vader en moeder meer. Ik heb nog één kans als ik morgen tegen half twaalf een potje-ritje gemaakt heb". Omdat de jongen niet begreep wat de knecht bedoelde, vroeg de knecht hem de volgende ochtend om een koe uit de stal te halen. De koe begon onmiddellijk in het gras te bijten. Vervolgens moest de jongen een stier uit de stal halen. De stier besprong de koe onmiddellijk. "Hou vast" riep de knecht, waardoor hij de koe en de stier aan elkaar toverde. Daarna kwam er een varken uit de stal, dat aan de poten van de stier begon te knabbelen. "Hou vast!" riep de knecht weer, waardoor het varken werd vastgetoverd. De jongen moest meel over de drie dieren strooien en daarna de duiven laten vliegen. Ook de duiven bleven vastplakken in het meel op de koe, de stier en het varken. Vervolgens werden nog een merrie en een hengst uit de stal gehaald, die eveneens aan de andere dieren bleef plakken. Toen de boerin naar buitenkwam en dat vreemde schouwspel te zien kreeg, nam ze een stok om de dieren van elkaar te slaan. De boerin bleef echter met haar stok aan de dieren plakken. Toen daarna ook de boer aan de boerin bleef plakken, was het plaatje compleet. "Is je potje-ritje nu groot genoeg?" vroeg de knecht aan de boer, waarop deze laatste antwoordde: "Ja, ja, het is goed, je mag blijven!"
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
6. Sagen - Sprookjes
west-vlaams (franse grens)
385
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
