Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DHERB0457_0459_25133 - Anneke en Leiske

Een sage (mondeling), 1974

Hoofdtekst

Beschrijving

Anneke en Leiske waren twee zussen. Anneke was een verstandig meisje, maar Leiske begreep altijd alles verkeerd. Op een dag moesten de zussen naar de kermis gaan bij een tante in een naburig dorp. Leiske kon zich echter niet gedragen; ze at met twee handen en en sopte haar eten in de koffie. Ze at bovendien tot ze werkelijk niet meer kon. Daarom sprak Anneke vóór het vertrek tot haar: “Luister goed. Je moet daar braaf aan de tafel zitten en je mag pas een stuk taart nemen als ik je een teken geef. Als je genoeg hebt gegeten, zal ik onder tafel tegen je voet duwen”. Zo gezegd, zo gedaan. Leiske had nog maar één hap van haar eerste stuk taart genomen, toen onder de tafel een kat tegen haar voet liep. Leiske legde onmiddellijk haar stuk taart neer, waarop de mensen zeiden: “Maar Leiske, eet nu toch”. Ook Anneke zei: “Vooruit, je kan toch geen stuk taart laten liggen waar je één keer in hebt gebeten”. Leiske was echter vastbesloten en zei: “Neen, ik eet niet meer!” Bij hun vertrek naar huis kregen Anneke en Leiske nog enkele taarten mee. Op de weg naar huis sprak Anneke tot Leiske: “Wat ben jij toch een dom kind! Waarom heb je niet gegeten?” “Ja maar”, antwoordde Leiske, “jij hebt toch gezegd dat ik niet veel mocht eten”. Omdat de meisjes nogal laat waren gebleven, werd het al donker en geraakten ze niet meer thuis. De meisjes kropen in een boom en besloten daar te slapen tot het ochtend werd. Om middernacht hoorde Anneke en Leiske echter lawaai. Er kwamen rovers met toortsen aangelopen, die onder de boom hun geld kwamen tellen. Leiske sprak in de boom tot Anneke: “Potverdorie, ik kan het niet meer houden. Ik moet een grote behoefte doen”. Anneke verbood haar zus echter naar beneden te gaan omdat dat veel te gevaarlijk was. De bendeleider stak een gouden beker in de lucht met de woorden: “Kijk eens wat een pronkstuk we uit de kerk hebben kunnen halen! Ik wou dat deze beker vol mosterd lag!” Het volgende ogenblik deed Leiske wat ze moest doen, waarop de roverhoofdman riep: “Potverdorie, de hemel heeft mij aanhoord!” Daarna moest Leiske plassen. De roverhoofdman stak de beker weer in de lucht en zei: “Ik wou dat het wijn was!” Leiske plaste in de beker, waarop de roverhoofdman riep: “Zie je wel dat wij het nog niet zo slecht doen!” Daarna gingen de rovers weg. Anneke en Leiske klommen uit de boom en vonden op de grond nog heel wat waardevolle voorwerpen, die de rovers waren vergeten.

Bron

D. Herbots, Leuven, 1974

Commentaar

7. Sprookjes
brabants (oosten)
165B
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Anneke
Leiske

Naam Locatie in Tekst

Halle    Halle