Hoofdtekst
9 J -Maar nu, zuster Lutgarde daar van Uutsvertegem (Godveerdegem) - daar waren maar drie nonnetjes in ‘t klooster van Godveerdegem hé , wij zeggen Uutsvertegem - die ôt (had)aan haar gebuur gevraagd : “Zeg Paul, is dienen vertinner nog niet rondgeweest jong? Ze moeten onze lepels eens wat vertinnen en lepels en vorken en messen die ze moeten vertinnen. Zou hij nu nog niet geweest hebben (zijn) of weet gij niet wanneer dat hij zou komen?” – “Ah, bah, neen ik.” zegt hij Paul, “Bah, neen ik, ik weet niet, ‘t is lang geleden dat ik hem gezien heb.” “Maar,” zegt hij Paul, “ge moet gij daarvoor die vent niet hebben voor lepels te vertinnen, ik kan ik dat ook.” – “Hoe?” zegt ze, “Kunt gij dat ook?” – “Ah wel ja’k, ik en de Rosten daar uit het gemeentehuis, we zullen wij dat een keer doen.” – “Allez, jong!” zegt ze, “Kunt gij dat?” – “Als ik dinsdag naar de markt ga, zal ik bij Van Poucke achter een potje tin gaan, zegt hij, “en ik en de Roste gaan die lepels vertinnen.” – “Jamaar,” zegt ze, “zoveel te gemakkelijker! Ik moet ik dan achter niemand niet lopen. – “maar,” zegt hij, “we zullen dat thuns (dan) op een avond een keer doen, als ‘t zo een wat goed weer is, hé, daarbuiten.”. Ja, nu staat dat daar vol huizen, maar thuns (dan) stonden d’er daar praktisch geen huizen hé, ‘t klooster stond daar en thuns (dan) stond er daar twee of drie meters verder stond er daar een huis. Daarmee waren ze afgesproken Paul, die daar juist nevenst ‘t klooster woonde en zijn kameraad die in ‘t gemeentehuis woonde, een jonkman, ‘t waren thuns (dan) alletwee jonkmans (ongehuwde mannen) en alle twee schou (erge) mannen. Zegt hij tegen zuster Lutgarde : “Kijk, we zullen afspreken woensdag, woensdagavend gaan we dat doen, die lepels vertinnen.” – “Ah, ‘t is goed.” zegt ze – “Jamaar, ge moet meehelpen hé, want,” zegt hij, “die vertinners hebben allemaal een blaasbalg hé, maar,” zegt hij, “wij hebben dat niet hé, ge moet helpen blazen, hé.” zegt hij, “dat we dat vuurtje heet genoeg krijgen voor dat tin te smelten hé.” – “Jamaar,” zegt ze Lutgarde, “Als ‘t anders niet en is”. Daarmee ôn hadden zij zo een wat hout bijeengerold hé, hout bijeengesprokkeld hé, op een hoopje gelegd en Paul ôt (had) daar een potje gepakt, hij zei dat tin was, maar ‘t kon zo goed regenwater geweest hebben (zijn). En wat dat hij ook gedaan ôt (had), hij ôt (had) ook een volle schep, een koolschep bitter (asse, roet) uit de stove, uit de schouw gehaald hé, dat was zo een g’hele schep hé en die ôn (hadden) ze nevens hun hout gezet allemaal voor in brand te steken thuns (dan) hé en daarnevenst ôn (hadden) ze die schep bitter gedaan en daarmee ze ôn (hadden) zij dat vuurtje in brand gestoken hé en zuster Lutgarde zat, al weerskanten was ‘t er een gracht al de linkerkant en al de rechter, dat weet ik allemaal nog, en zuster Lutgarde was aangelopen uit ‘t klooster met de lepels en de vorken en ze zat zij ook in de gracht zo hé en Paul en die Rosten zaten alhier, hun getweeën, en hier was dat vuurtje en hier, al (langs) de andere kant in de gracht en aan de andere kant zat zuster Lutgarde hé. “Allez, zuster blazen maar hé!” en de zuster was zo al een oud vrouwmens en de Rosten en Paul (informant doet blaasgeluid na) maar die bliezen altijd op dienen (dat) bitter (roet, asse), zuster Lutgarde zat hier hé en die nonnen ôn (hadden) altijd zo een witte, wij zeiden zo een witte zeverlap aan, zo een witte kap hé en zij bliezen altijd op dienen bitter (die asse) hé en zuster Lutgarde die blies altijd in dat vuurtje hé. Dienen bitter (die asse) vloog allemaal op dat wit hé en met den anderen thuns (dan) zegt hij Paul : “We krijgen dienen (dat) tin niet gesmolten jong, ‘t zal niet gaan, weet ge wat dat we zullen doen, we zullen morgen een keer meer hout pakken hé, dat we een groter vuur kunnen maken dat we de tin kunnen smelten hé.” – “Ah ja.” zuster Lutgarde pakte algauw haar lepels en haar vorken en haar messen en ze ging algauw naar ‘t klooster, ja ‘t was thuns (dan) al laat, ieverst (ergens) een uur of negen of half tien, allez, dat weet ik niet juist. En zij aan de hazepoot (bel) getrokken, dat was vroeger, een hazepoot zeiden ze, dat waren zo bellen zo, dat was zo lang, een hazepoot zeiden wij daarop. “lingelingeling! lingelingeling!” Hebt ge dat (nog) gezien? E9 -Zo een trekker.II -Jaja, een trekker dat ken ik dat noemden ze een hazepoot, dat wist ik.9 -Wij zeiden allemaal, allez, al dees (deze) kanten bij mijn weten, zeiden zeer allemaal (een hazepoot( op. En nu die zuster ze wist zij dat zuster Lutgarde buiten was voor die lepels daar helpen te vertinnen hé en zuster Alfrede trekt de deur daar open en ze ziet ze daar zo Zuster Lutgarde staan, g’heel in ‘t zwart, haar wezen was zwart, die schapulier was zwart hé.(wij lachen)“Hoe, de duivel! De duivel!” zei ze (zuster Alfrede) en die trap van de kapel kwam daar in de gang hé en zij onmiddellijk de trap op gaan lezen naar de kapel. Ze ôt (had) de duivel gezien. Ah ja, ge moet niet vragen zeg! Haar wezen (aangezicht) zwart, die witte ...E9 -Zeverlap.(gelach)9 -Ja, juffrouw, ik peins dat ik hier niet veel meer weet ze.(stilte)II -En wanneer is dat gebeurd zo?9 -Dat, in ‘t jaar vijftig of zo, 1950. Maar d’er waren maar drie nonnetjes in den tijd in Uutsvertegem.E9 -Drie oude schapen azo.9 -En die maakte gij al wijs dat ge wilde hé.
Beschrijving
Een non uit het klooster van Godveerdegem vroeg aan haar buurman of de man die lepels vertinde nog niet was langsgeweest. De buurman antwoordde: "Daar heb je die man toch niet voor nodig. Ik kan dat ook. We zullen woensdagavond een vuurtje maken, maar jij moet me wel helpen. Ik heb namelijk geen blaasbalg om het vuur aan te steken. Jij zal dus moeten blazen". De non ging akkoord en zat op woensdagavond bij het vuur te blazen. De buurman had een potje vuil water klaargezet, waarvan hij beweerde dat het tin was. Naast het vuur had hij roet gelegd, dat hij uit de kachel had gehaald. Nadat de non een hele tijd had geblazen, zei de man: "Het zal zo niet lukken. We zullen morgen een groter vuur maken en dan opnieuw proberen". De non nam al haar vorken en lepels bijeen en ging aanbellen aan de deur van het klooster. De non wist echter niet dat haar habijt door het roet helemaal zwart was geworden. De andere non die kwam opendoen, zag de zwarte verschijning, riep: "De duivel!" en haastte zich naar de kapel om te bidden.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
3.1 Duivels
oost-vlaams (groot-zottegem)
9J
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
Plaats van Handelen
Godveerdegem   
