Hoofdtekst
Ik ging ne keer mee mijne kruiwagen ’t baantjen op en mee ene keer hoor ik daar een lawaait en een geschreeuw, en ik zet mijne kruiwagen daar af en ik ga daar naartoe; en dat waren nen hoop beesten die mij aanwillegen: percies katten maar zo groot niet. En ik kroop op een balie en ze sprongen op mij, maar z’en deden geen kwaad. En ik ben dan achteruit gegaan mee diëne singel en altijd aan gesmeten tot aan mijne kruiwagen, en als ik bekanst (bijna) aan mijne kruiwagen was zijn ze weergekeerd. Een heel bende bijeen. Dat was ook iet aardig hé!
Beschrijving
Een man die met zijn kruiwagen op pad was, hoorde plots geschreeuw. De man zette zijn kruiwagen neer en liep naar de plaats waar het lawaai vandaan kwam. Daar werd de man besprongen door dieren die iets kleiner waren dan katten. De dieren deden de man echter geen kwaad. Heel langzaam ging hij terug naar zijn kruiwagen. Toen hij daar was, liepen de dieren weg.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (denderstreek)
220
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Voorde   
