Hoofdtekst
Bie Clerck zaten den boer en de boerinne en de knechten an tafel, z’aten poten en oren van ’t zwien met hutsepoot, en ineens wierden al de ruuten ingesmeten. Ze liepen zieder al no buuten mo ze zagen niemand mor achter de boerinne stoend de koeier, j’had ie beentjes in z’n zak gestoken en je smeet ze weg mo ze kwamen iedere kè were. Clerck liep derekt achter de paster. Die koeier las regelmatig in den biebel en de paster haalde hem of en ’t is nooit mè gebeurd.
Beschrijving
Een boer, een boerin en een knecht zaten samen aan tafel te eten, toen plots alle ruiten werden stukgegooid. De boerin ging kijken, maar er was niets te zien. De koewachter had afgekloven botjes weggegooid, maar ze kwamen telkens terug. De toverij werd veroorzaakt door de koewachter die vaak in de bijbel las. Nadat de pastoor de bijbel was komen halen, gebeurde er niets vreemds meer op de boerderij.
Bron
M. Vander Cruysse, Leuven, 1965
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (n van brugge)
626
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Meetkerke   
