Hoofdtekst
Acket’s in Zillebeke aan de Westhoek en kosten geen beuter karnen. Ze droeien altemets twee drie heuren aan een stuk en ze n’hadden nie anders dan schuum. Da was alzo al een veertien dagen drie weken en die mensen begosten daarmee inzitten. En den dikken kapelaan van Zillebeke, dat is jaren geleên, ‘k weten ze name nie, z’hadden gegaan en je gong een keer komen. "’k Gaan ik een keer komen”! zei hij. Den dikken kapelaan kwam en je kèrde ie ’n half heure en je zei toen: "kèrt gieder nu maar voors”! En z’hadden were beuter. De mensen zeien, eh ja "’t Is daar spokerij onder en had’t nie geweest van de kapelaan, me gongen noois geen beuter mee kunnen kèren”. Ze wisten niemand te noemen eigenlijk die daar schuld in hadde.
Beschrijving
Op een boerderij in Zillebeke kon men geen boter meer karnen. Na twee of drie uur karnen had men nog steeds schuim in het botervat. Na twee of drie weken kwam de kapelaan de mensen te hulp. Nadat de geestelijke een half uur had gekarnd, was er al boter in het vat.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
3
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Voormezele   
Plaats van Handelen
Zillebeke   
