Hoofdtekst
Bij Blommaerts hof was ’t wreed ’s nachts. De beesten waren dan wreed wild, de paarden snukten ulder ketens af. Ze zijn moeten om de paster gaan. “’t Is hier veel kwaad”, zei hij, “maar ‘k zal u verlossen.” Ze moesten ne grote put maken in de messing. ’t Volk moest op ulder knieën gaan zitten en lezen met de rug(ge) naar de put gekeerd. Ze mochten niet kijken. De paster is daar beginnen lezen dat hij ervan zweette.Al mee ne keer hoorden ze een groot gedruis precies gelijk een voiture die reed met paarden. Dat gedruis kwam naar diene put en verdween daarin. Ze deden dan diene put toe. ’t Kwaad was erin verdronken.
Beschrijving
Op een boerderij in Nukerke spookte het ’s nachts. De dieren werden er wild en de paarden snokten hun kettingen af. Toen men de pastoor liet komen, sprak de geestelijke: “Er is hier veel kwaad, maar ik zal jullie verlossen. Maak een grote put in de mesthoop en ga dan geknield met jullie rug naar de put zitten om te bidden”. De pastoor bad zelf ook tot hij helemaal bezweet was. Daarna hoorden de mensen een gedruis alsof er een paardenkar kwam aangereden. het gedruis kwam naar de put en verdween erin. Vervolgens maakte men de put dicht. Het kwaad was erin verdronken.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
192
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nukerke   
Plaats van Handelen
Nukerke   
