Hoofdtekst
De mensen vertelden altijd dat er ’s nachts ten twaalven aan d’hofstee van Rijckewaert 2 grote reuzen uit a slagje (een slagje) kwamen, twee grote reuzen met peerdepoten en petje Potter, mijn grootvader he, wilde zeker zijn, je geloofde ’t niet gauwe. En ’s nachts ten twaalven je (hij) passeerde daar een keer en ze kwamen uit dat slagje, van tussen de bomen. En ne (hij) zei goên avond en ze bleven stille staan kijken en ze zeien niet en ze bewogen niet. En ne gaat voorbij en ne kijkt altemets (nu en dan) a keer omme en ne (hij) ziet ze daar staan, zo asten a step of tiene voorbij was, je gerochte (geraakte) benauwd en liep door de duinen naar huis he. En de deure was niet gesloten en ne (hij) schoot binnen he en ne (hij) sloot ze ton wè (hoor). En ne was gildig (pas) binnen asten z’hoorde over ’t hof lopen voor de deure voorbij. N’ (hij) hadde ze hij gezien, en en (hij) ging het niet afgaan (ontkennen). En z’hebben daar ton a (een) kapelletje gebouwd en dat is ton achtergebleven. N’ (hij) is hij alleen niet die ze gezien hadde, ’t zijn d’r wel 1000 hier.
Beschrijving
Om middernacht kwamen op een boerderij twee grote reuzen met paardenpoten uit een weggetje. De man die de reuzen had gezien, liep snel naar huis en sloot de deur. Daarna hoorde de man de reuzen nog over het erf lopen. Nadat men op die plaats een kapelletje had gebouwd, verschenen de reuzen niet meer.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.2 Aardgeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
36
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nieuwpoort Bad   
