Hoofdtekst
J’had hij dor èn oenderaardschen gang. Je zat hij dor in ’t bus van hier toet Langemark. Je ging gon stelen bij de rieke. Zijn bende leefd’up het schuum van d’andre menschen. Je dei toen nog niet vele moorden mor je steelde meer. ’t Wos meest up de grote hoven wor dat er buut wos. Ze mosten bij de klene niet gon want ’t wos toen e slichten tijd. ‘k Weet ik toen niet meer wor datten geblonden (achterwege gebleven) is.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Bakelandt vertoefde in de bossen tussen Woumen en Langemark. Hij had daar een onderaardse gang. De bende van Bakelandt ging stelen bij de rijken. Aanvankelijk pleegden de rovers weinig moorden.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
128A
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Bakelandt   
Bakelandt (bende van)   
bende van Bakelandt   
Naam Locatie in Tekst
Woumen   
