Hoofdtekst
[Verteller sleept met een stuk ketting]
Hoe zijn jullie hier het park binnengekomen? Via het bruggetje of via het park?
[Publiek geeft antwoorden]
Hebben jullie gezien dat daarachter één of ander heel vies vijvertje ligt? En hier ga je met dat bruggetje over dat vieze vijvertje, en als je van die kant binnenkomt, door het hek, dan is het aan de linkerkant. Heel vies... D'r stond vanmiddag een man met een hengel. Heb je dat niet gezien? Maar wel dat vijvertje, of niet? Ja? Ja, want anders heeft het geen zin om dat verhaal te vertellen, als je dat vijvertje niet weet. Heb je dat vijvertje gezien. [Publiek reageert] Ja, een slootje, 't is meer een slootje. Vorige week toen zat ik dus buiten, ik had een afspraak in de molen, maar ze waren er nog niet. Dus ik zat buiten even te wachten op zo'n fietsenrekje; d'r zijn allemaal van die fietsenrekjes hier, en ik zat zo een beetje van de zon te genieten. En toen zag ik ineens... dat er een ketting door het gras heen liep. Deze ketting. Dat vond ik wel heel erg raar. En aan de ene kant zat die ketting vastgeknoopt om een boom heen, met een hele grote knoop d'r in, en aan de andere kant verdween die ketting in het water. Dat vond ik raar. En ik werd er ook wel een beetje nieuwsgierig van, dus ik stond op en pakte met twee handen die ketting, en ik gaf er een heel klein rukje aan. En toen kwamen er allemaal luchtbellen omhoog. Dat vond ik reuze spannend, dus ik pakte die ketting nog een keer en gaf er een hele grote ruk aan, en toen kwamen er nog meer bellen, en uiteindelijk kwam er een man in een heel duikerspak boven water. Zo'n ouderwets duikerspak met zo'n glazen helm op z'n hoofd en allemaal van die slangen d'r aan. En die man, die zwom naar de kant toe, die klauterde omhoog, even later stond 'ie druipend van het water naast me, en hij begon die helm los te schroeven en die slangen los te maken, en ik stond daar met mijn mond open naar hem te kijken, en hij deed die helm af, en toen, ja, stond er een... doodgewone man naast me, heel gewoon. Een beetje grijze haren, snorretje; een beetje zoals hij daar [Verteller wijst iemand in het publiek aan]. Ja, zo, zo zag 'ie d'r een beetje uit. Ik zeg: "Meneer, wat bent u hier aan het doen in dat gekke vijvertje hier, in dat slootje, met een duikerspak aan?" Hij zei: "Ja, dat is een heel verhaal. Zal ik het vertellen?" Ik zeg: "Ja, natuurlijk!" Hij zegt: "Nou, het zit zo. Ik ben schoolmeester op de school hiernaast, de Parkschool. Enneh, vorige week ben ik begonnen met de kelder van de school op te ruimen. Want tijdens de laatste verhuizing, toen hebben we alle zooi van de Damstraat hebben we meegenomen hier naar het park, en hebben we zo in de kelder gekiept. En dat moest nou wel eens een keertje opgeruimd worden. En d'r stonden nog allemaal kisten van vroeger met schoolspullen. Van die ouderwetse kroontjespennen met potjes uitgedroogde inkt - en daar moesten mensen dan mee schrijven. Heel gedoe en je kreeg d'r hele zwarte vingers van, vroeger op school. En schoolschriften van kinderen die honderdvijftig jaar geleden op school gezeten hadden. Met opstellen d'r in, en die heb ik allemaal door zitten lezen, de hele nacht lang. Toen kwam ik een schrift tegen van een zekere Mariët. En die had honderd jaar geleden hier op school gezeten. Die had in haar schrift een heel vreemd opstel... belevenis geschreven, van twee kinderen uit haar klas. Want die twee kinderen, broer en zus, een tweeling, die konden heel goed zwemmen - dus op woensdagmiddag dan mochten ze van hun vader en moeder altijd gaan zwemmen in een klein meertje vlak buiten de stad. En dan deden ze wedstrijdjes met elkaar; wie het langst onder water kon blijven. Hoe lang kan jij al onder water blijven? Hoeveel tellen?
Bas Meder: "Ik?"
RB: "Ja."
BM: "Uh, 34 ongeveer."
RB: "Vierendertig tellen. En jij? Kun jij meer onder water blijven? Haal je dat: 34?"
Roel Meder: "Ik weet niet."
RB: "Je weet het niet? Wie haalt er meer dan 34 tellen? Jij?"
Meisje: "Ik denk het wel."
RB: Nou, deze kinderen waren getraind. Dus op een bepaald moment konden ze wel meer als vijftig tellen onder water blijven. Dan stonden ze met hun neuzen zo dicht op de kant en dan sprongen ze d'r in - haalden ze natuurlijk eerst adem - en dan, ja, de ene keer kwam de ene eerder boven en de andere keer de andere eerder boven... reuze spannend. Totdat ze op een middag bovenkwamen, elkaar aankeken en tegen elkaar zeiden: 'Heb je dat gezien daar beneden? Dat groene licht?' 'Ja, ik heb het ook gezien! Geheimzinnig hè?' Ze haalden weer adem en doken weer naar beneden. En inderdaad: vanuit een soort grot onder water scheen er een groen licht. En heel voorzichtig zwommen ze een stukje in die grot. En toen ontdekten ze dat je daar onder water gewoon kon ademhalen. D'r zat een luchtbel ofzo, onder water. Dat was natuurlijk super; dan hoefden ze niet meer elke keer naar boven om lucht te halen. Dus ze zwommen nog verder die grot in, net zo lang, tot ze aankwamen bij een grote houten deur - helemaal groen van het mos, planten. Heel voorzichtig klopten ze aan de deur. Tot hun stomme verbazing werd er open gedaan... door een man... een soort van 'onderwatermens' noemden zij dat. En hij nodigde de twee kinderen uit, om zijn land te komen bezoeken. En het was er nog reuze leuk ook. D'r woonde een hele familie daar onder het water: een moeder met kinderen, en die vader had een hele speeltuin gebouwd, en daar konden ze heerlijk spelen, urenlang. Onderwaterthee dronken ze. Het was zo gezellig, dat de twee kinderen helemaal de tijd vergaten. Dus ineens dachten ze van: ojee, het is natuurlijk al etenstijd. Dus ze gingen gauw weer omhoog, trokken hun kleren aan. Het was al half donker; ze renden naar huis toe. Ze kwamen thuis. De hele familie zat al rond de tafel te eten, en de vader keek heel erg boos. Maar toen de twee kinderen vertelen dat ze in onderwaterland geweest waren, en dat het zo leuk was, dat ze de tijd waren vergeten... Ja, toen was hun vader gelijk niet meer boos. Die vond het zo een goeie smoes, zo eentje had 'ie nog nooit gehoord. Hij kon z'n lachen niet meer houden. Maar ja, die twee kinderen... die werden ontzettend boos. Omdat hun vader hun verhaal niet wilde geloven. Want het was helemaal geen smoes! Het was echt! Dus 's avonds staken ze een kaarsje aan, en toen ze in bed lagen, tekenden ze een hele kaart van hoe onderwaterland eruit zag. En die kaart namen ze mee naar school, en die gaven ze aan de juf. En de juf zei: 'Nou, dat hebben jullie mooi getekend.' En die legde 'm zo op haar bureau, en die vroeg helemaal niks meer. Dus die twee kinderen werden zo boos, dat geen één van die volwassenen hun verhaal wilde geloven, dat ze besloten om van huis weg te lopen. Ze schreven een briefje: 'Pappa, mamma, wij zijn boos, dat jullie niet geloven dat onderwaterland bestaat. Wij lopen weg.' En ze legden het briefje thuis op de tafel, en vanaf die middag waren de twee kinderen spoorloos verdwenen. D'r werd natuurlijk wel gezocht door de politie, en door de meester, en door hun vader en moeder. Maar het enigste wat ze terugvonden, dat waren hun schoenen; die stonden aan de rand van dat meertje, waar ze altijd gingen zwemmen." Toen die schoolmeester, die naast mij stond, dit verhaal aan mij vertelde, ja, toen geloofde ik er natuurlijk niks van. Zou jij zo'n verhaal geloven als iemand het aan je vertelde?
Meisje: "..."
RB: "Jij weet het niet. Zou jij dat geloven?"
Roel Meder: "Nee, niet echt."
RB: Nee hè? Nee, ik geloofde er ook niks van, maar het rare was: hij kon het nog bewijzen ook. Hij had het allemaal uitgezocht. Hij was eerst in de kerk geweest. Want in de kerk schreven ze vroeger in grote boeken op, wanneer iemand geboren was, wanneer die doodging, met wie die getrouwd was, hoe zijn kinderen heetten. En hij had daar in het grote boek zitten kijken, en toen had 'ie ontdekt, dat er wel opgeschreven was wanneer die kinderen geboren waren, maar verder was er niets over ze bekend. Toen had 'ie op school gekeken in het archief, waar precies was opgeschreven wanneer welke kinderen op school hadden gezeten, en wanneer ze van school waren gegaan. En daar stond wel wanneer die kinderen op school waren gekomen, maar d'r stond verder stond d'r achter: vermist. Verdwenen! En toen was 'ie op het gemeentehuis geweest, en had 'ie oude landkaarten bestudeerd van Utrecht. En toen had 'ie ontdekt, dat dat meertje waar die kinderen altijd gingen zwemmen, dat dat inmiddels helemaal omgesloten was, ingebouwd was in de stad. De stad was natuurlijk steeds veel groter geworden. En dat meertje, dat was nu dat vieze slootje wat hierachter lag. En toevallig stond de school nu, honderdvijftig jaar later, vlak naast dat meertje. En daarom was 'ie met dat duikerspak hier aan het zoeken. Ik moet jullie eerlijk zeggen... toen ik al die bewijzen van hem hoorde, dat ik zijn verhaal eventjes geloofde. Totdat ik ontdekte dat er iets in zijn verhaal niet klopte. En ik weet niet of jullie het doorhebben, maar er klopt iets niet aan. Weet jij wat? Heeft iemand het door? Nee? Zal ik het dan maar verklappen? Hij had gezegd dat je daar onder water kon ademhalen. Terwijl 'ie met een heel duikerspak bezig was met die slangen en die flessen om die ingang van die grot te vinden. Ik zeg: 'Meneer, u gelooft uw eigen verhaal niet eens. Want als u daar onder water kan ademhalen, dan heeft u dat hele duikerspak niet nodig.' En toen werd 'ie heel erg boos. Hij kreeg een heel rood hoofd en begon tegen me te vloeken. Hij zei: 'Als jij mij niet gelooft, dan zal ik het wel eens even bewijzen!' En hij begon dat laatste stuk van dat duikerspak, wat 'ie aanhad, begon 'ie uit te doen. Dat rubberen ding rolde die d'r af, z'n flippers deed 'ie af. En even daarna stond 'ie in zijn lange onderbroek op de waterkant. Hij haalde flink adem, deed zijn neus dicht, sprong in het water. Nou, en ik keek op mijn horloge. Ik dacht: nou... 34 tellen! Na 34 tellen was 'ie nog niet boven water. Ik dacht: nou... een minuut, anderhalve minuut. Vijf minuten. Na een half uur was 'ie nog steeds niet terug. En na een uur wist ik niet meer wat ik moest doen. Toen heb ik die ketting maar opgerold, en dat duikerspak en zijn kleren, en heb ik hier naar de Kanaalstraat, naar de wijkpost gebracht. En ik ben vanochtend, voordat ik hier naar de molen kwam, nog even langsgeweest... Maar het hing d'r nog steeds. Het was nog steeds niet opgehaald. Dus ik vraag me nou toch af, hè: is die schoolmeester hier nou achter in dat vieze slootje gewoon verdronken, of bestaat onderwaterland misschien toch echt? Ik weet het niet...
Kleinste meisje uit het publiek: "Niet waar."
RB: Nee? En ik had nog wel zo m'n best gedaan om het echt te laten lijken.
[Applaus]
(Verteld op de multiculturele vertelmiddag in Houtzaagmolen De Ster op woensdag 26 april 2000, Molenpark 3)
Hoe zijn jullie hier het park binnengekomen? Via het bruggetje of via het park?
[Publiek geeft antwoorden]
Hebben jullie gezien dat daarachter één of ander heel vies vijvertje ligt? En hier ga je met dat bruggetje over dat vieze vijvertje, en als je van die kant binnenkomt, door het hek, dan is het aan de linkerkant. Heel vies... D'r stond vanmiddag een man met een hengel. Heb je dat niet gezien? Maar wel dat vijvertje, of niet? Ja? Ja, want anders heeft het geen zin om dat verhaal te vertellen, als je dat vijvertje niet weet. Heb je dat vijvertje gezien. [Publiek reageert] Ja, een slootje, 't is meer een slootje. Vorige week toen zat ik dus buiten, ik had een afspraak in de molen, maar ze waren er nog niet. Dus ik zat buiten even te wachten op zo'n fietsenrekje; d'r zijn allemaal van die fietsenrekjes hier, en ik zat zo een beetje van de zon te genieten. En toen zag ik ineens... dat er een ketting door het gras heen liep. Deze ketting. Dat vond ik wel heel erg raar. En aan de ene kant zat die ketting vastgeknoopt om een boom heen, met een hele grote knoop d'r in, en aan de andere kant verdween die ketting in het water. Dat vond ik raar. En ik werd er ook wel een beetje nieuwsgierig van, dus ik stond op en pakte met twee handen die ketting, en ik gaf er een heel klein rukje aan. En toen kwamen er allemaal luchtbellen omhoog. Dat vond ik reuze spannend, dus ik pakte die ketting nog een keer en gaf er een hele grote ruk aan, en toen kwamen er nog meer bellen, en uiteindelijk kwam er een man in een heel duikerspak boven water. Zo'n ouderwets duikerspak met zo'n glazen helm op z'n hoofd en allemaal van die slangen d'r aan. En die man, die zwom naar de kant toe, die klauterde omhoog, even later stond 'ie druipend van het water naast me, en hij begon die helm los te schroeven en die slangen los te maken, en ik stond daar met mijn mond open naar hem te kijken, en hij deed die helm af, en toen, ja, stond er een... doodgewone man naast me, heel gewoon. Een beetje grijze haren, snorretje; een beetje zoals hij daar [Verteller wijst iemand in het publiek aan]. Ja, zo, zo zag 'ie d'r een beetje uit. Ik zeg: "Meneer, wat bent u hier aan het doen in dat gekke vijvertje hier, in dat slootje, met een duikerspak aan?" Hij zei: "Ja, dat is een heel verhaal. Zal ik het vertellen?" Ik zeg: "Ja, natuurlijk!" Hij zegt: "Nou, het zit zo. Ik ben schoolmeester op de school hiernaast, de Parkschool. Enneh, vorige week ben ik begonnen met de kelder van de school op te ruimen. Want tijdens de laatste verhuizing, toen hebben we alle zooi van de Damstraat hebben we meegenomen hier naar het park, en hebben we zo in de kelder gekiept. En dat moest nou wel eens een keertje opgeruimd worden. En d'r stonden nog allemaal kisten van vroeger met schoolspullen. Van die ouderwetse kroontjespennen met potjes uitgedroogde inkt - en daar moesten mensen dan mee schrijven. Heel gedoe en je kreeg d'r hele zwarte vingers van, vroeger op school. En schoolschriften van kinderen die honderdvijftig jaar geleden op school gezeten hadden. Met opstellen d'r in, en die heb ik allemaal door zitten lezen, de hele nacht lang. Toen kwam ik een schrift tegen van een zekere Mariët. En die had honderd jaar geleden hier op school gezeten. Die had in haar schrift een heel vreemd opstel... belevenis geschreven, van twee kinderen uit haar klas. Want die twee kinderen, broer en zus, een tweeling, die konden heel goed zwemmen - dus op woensdagmiddag dan mochten ze van hun vader en moeder altijd gaan zwemmen in een klein meertje vlak buiten de stad. En dan deden ze wedstrijdjes met elkaar; wie het langst onder water kon blijven. Hoe lang kan jij al onder water blijven? Hoeveel tellen?
Bas Meder: "Ik?"
RB: "Ja."
BM: "Uh, 34 ongeveer."
RB: "Vierendertig tellen. En jij? Kun jij meer onder water blijven? Haal je dat: 34?"
Roel Meder: "Ik weet niet."
RB: "Je weet het niet? Wie haalt er meer dan 34 tellen? Jij?"
Meisje: "Ik denk het wel."
RB: Nou, deze kinderen waren getraind. Dus op een bepaald moment konden ze wel meer als vijftig tellen onder water blijven. Dan stonden ze met hun neuzen zo dicht op de kant en dan sprongen ze d'r in - haalden ze natuurlijk eerst adem - en dan, ja, de ene keer kwam de ene eerder boven en de andere keer de andere eerder boven... reuze spannend. Totdat ze op een middag bovenkwamen, elkaar aankeken en tegen elkaar zeiden: 'Heb je dat gezien daar beneden? Dat groene licht?' 'Ja, ik heb het ook gezien! Geheimzinnig hè?' Ze haalden weer adem en doken weer naar beneden. En inderdaad: vanuit een soort grot onder water scheen er een groen licht. En heel voorzichtig zwommen ze een stukje in die grot. En toen ontdekten ze dat je daar onder water gewoon kon ademhalen. D'r zat een luchtbel ofzo, onder water. Dat was natuurlijk super; dan hoefden ze niet meer elke keer naar boven om lucht te halen. Dus ze zwommen nog verder die grot in, net zo lang, tot ze aankwamen bij een grote houten deur - helemaal groen van het mos, planten. Heel voorzichtig klopten ze aan de deur. Tot hun stomme verbazing werd er open gedaan... door een man... een soort van 'onderwatermens' noemden zij dat. En hij nodigde de twee kinderen uit, om zijn land te komen bezoeken. En het was er nog reuze leuk ook. D'r woonde een hele familie daar onder het water: een moeder met kinderen, en die vader had een hele speeltuin gebouwd, en daar konden ze heerlijk spelen, urenlang. Onderwaterthee dronken ze. Het was zo gezellig, dat de twee kinderen helemaal de tijd vergaten. Dus ineens dachten ze van: ojee, het is natuurlijk al etenstijd. Dus ze gingen gauw weer omhoog, trokken hun kleren aan. Het was al half donker; ze renden naar huis toe. Ze kwamen thuis. De hele familie zat al rond de tafel te eten, en de vader keek heel erg boos. Maar toen de twee kinderen vertelen dat ze in onderwaterland geweest waren, en dat het zo leuk was, dat ze de tijd waren vergeten... Ja, toen was hun vader gelijk niet meer boos. Die vond het zo een goeie smoes, zo eentje had 'ie nog nooit gehoord. Hij kon z'n lachen niet meer houden. Maar ja, die twee kinderen... die werden ontzettend boos. Omdat hun vader hun verhaal niet wilde geloven. Want het was helemaal geen smoes! Het was echt! Dus 's avonds staken ze een kaarsje aan, en toen ze in bed lagen, tekenden ze een hele kaart van hoe onderwaterland eruit zag. En die kaart namen ze mee naar school, en die gaven ze aan de juf. En de juf zei: 'Nou, dat hebben jullie mooi getekend.' En die legde 'm zo op haar bureau, en die vroeg helemaal niks meer. Dus die twee kinderen werden zo boos, dat geen één van die volwassenen hun verhaal wilde geloven, dat ze besloten om van huis weg te lopen. Ze schreven een briefje: 'Pappa, mamma, wij zijn boos, dat jullie niet geloven dat onderwaterland bestaat. Wij lopen weg.' En ze legden het briefje thuis op de tafel, en vanaf die middag waren de twee kinderen spoorloos verdwenen. D'r werd natuurlijk wel gezocht door de politie, en door de meester, en door hun vader en moeder. Maar het enigste wat ze terugvonden, dat waren hun schoenen; die stonden aan de rand van dat meertje, waar ze altijd gingen zwemmen." Toen die schoolmeester, die naast mij stond, dit verhaal aan mij vertelde, ja, toen geloofde ik er natuurlijk niks van. Zou jij zo'n verhaal geloven als iemand het aan je vertelde?
Meisje: "..."
RB: "Jij weet het niet. Zou jij dat geloven?"
Roel Meder: "Nee, niet echt."
RB: Nee hè? Nee, ik geloofde er ook niks van, maar het rare was: hij kon het nog bewijzen ook. Hij had het allemaal uitgezocht. Hij was eerst in de kerk geweest. Want in de kerk schreven ze vroeger in grote boeken op, wanneer iemand geboren was, wanneer die doodging, met wie die getrouwd was, hoe zijn kinderen heetten. En hij had daar in het grote boek zitten kijken, en toen had 'ie ontdekt, dat er wel opgeschreven was wanneer die kinderen geboren waren, maar verder was er niets over ze bekend. Toen had 'ie op school gekeken in het archief, waar precies was opgeschreven wanneer welke kinderen op school hadden gezeten, en wanneer ze van school waren gegaan. En daar stond wel wanneer die kinderen op school waren gekomen, maar d'r stond verder stond d'r achter: vermist. Verdwenen! En toen was 'ie op het gemeentehuis geweest, en had 'ie oude landkaarten bestudeerd van Utrecht. En toen had 'ie ontdekt, dat dat meertje waar die kinderen altijd gingen zwemmen, dat dat inmiddels helemaal omgesloten was, ingebouwd was in de stad. De stad was natuurlijk steeds veel groter geworden. En dat meertje, dat was nu dat vieze slootje wat hierachter lag. En toevallig stond de school nu, honderdvijftig jaar later, vlak naast dat meertje. En daarom was 'ie met dat duikerspak hier aan het zoeken. Ik moet jullie eerlijk zeggen... toen ik al die bewijzen van hem hoorde, dat ik zijn verhaal eventjes geloofde. Totdat ik ontdekte dat er iets in zijn verhaal niet klopte. En ik weet niet of jullie het doorhebben, maar er klopt iets niet aan. Weet jij wat? Heeft iemand het door? Nee? Zal ik het dan maar verklappen? Hij had gezegd dat je daar onder water kon ademhalen. Terwijl 'ie met een heel duikerspak bezig was met die slangen en die flessen om die ingang van die grot te vinden. Ik zeg: 'Meneer, u gelooft uw eigen verhaal niet eens. Want als u daar onder water kan ademhalen, dan heeft u dat hele duikerspak niet nodig.' En toen werd 'ie heel erg boos. Hij kreeg een heel rood hoofd en begon tegen me te vloeken. Hij zei: 'Als jij mij niet gelooft, dan zal ik het wel eens even bewijzen!' En hij begon dat laatste stuk van dat duikerspak, wat 'ie aanhad, begon 'ie uit te doen. Dat rubberen ding rolde die d'r af, z'n flippers deed 'ie af. En even daarna stond 'ie in zijn lange onderbroek op de waterkant. Hij haalde flink adem, deed zijn neus dicht, sprong in het water. Nou, en ik keek op mijn horloge. Ik dacht: nou... 34 tellen! Na 34 tellen was 'ie nog niet boven water. Ik dacht: nou... een minuut, anderhalve minuut. Vijf minuten. Na een half uur was 'ie nog steeds niet terug. En na een uur wist ik niet meer wat ik moest doen. Toen heb ik die ketting maar opgerold, en dat duikerspak en zijn kleren, en heb ik hier naar de Kanaalstraat, naar de wijkpost gebracht. En ik ben vanochtend, voordat ik hier naar de molen kwam, nog even langsgeweest... Maar het hing d'r nog steeds. Het was nog steeds niet opgehaald. Dus ik vraag me nou toch af, hè: is die schoolmeester hier nou achter in dat vieze slootje gewoon verdronken, of bestaat onderwaterland misschien toch echt? Ik weet het niet...
Kleinste meisje uit het publiek: "Niet waar."
RB: Nee? En ik had nog wel zo m'n best gedaan om het echt te laten lijken.
[Applaus]
(Verteld op de multiculturele vertelmiddag in Houtzaagmolen De Ster op woensdag 26 april 2000, Molenpark 3)
Onderwerp
AT 1889H - Submarine Otherworld   
ATU 1889H - Submarine Otherworld.   
Beschrijving
Een tweeling heeft in een meertje een onderwaterwereld gevonden. Als niemand hen gelooft, verdwijnen ze naar deze wereld. Een schoolmeester komt later achter het geheim en duikt ook naar beneden. Geconfronteerd met scepsis duikt hij zonder duikerspak naar beneden in een sloot en keer niet meer terug. De verteller vraagt zich af, wat hier van waar is.
Bron
Opname multiculturele vertelmiddag in Houtzaagmolen De Ster op woensdag 26 april 2000, Molenpark 3 (archief MI)
Motief
X1737 - Man stays under water for long time.   
Commentaar
26 april 2000
Submarine Otherworld
Naam Overig in Tekst
Molenpark   
Mariët   
Naam Locatie in Tekst
Parkschool   
Damstraat   
Kanaalstraat   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
