Hoofdtekst
Op ’t hof bij mijn vader zijn moeder, als ze daar ’s avonds aan tafel zaten, altijd was dienen paardenknecht zijnen eersten weg; hij had ook een vel, waarmee dat hij de mensen schouw (bang) maaktegen; mee een keten aan zijn gat vloog hij daar azo altijd achter. En K.M. zei: “’k en zal ne roien neusdoek meebrengen morgen avond, g’en zult azo tegen ons niet komen” zei ze, ze was schouw dat hij tegen haar zou gekomen hebben. Ja K.M. was daar ’s anderdaags mee ne roie neudoek, en als hij azo ne stap of tiene van daar was: “Nam!” zei ze, en hij pakt hij diëne neusdoek. ’s Anderdaags ’s morgens, als hij afkwam om kaffee te drinken mee hen hé, hingen de draaiers nog in zijne mond, gelijk hij diëne neusdoek ’s nachts had moeten uitdoen. En hij heeft hem opgepakt en hij is aangegaan ’s anderdaags ’s morgens en z’en hebben hem nooit nimmer gezien!
Beschrijving
Op een boerderij ging de paardenknecht ’s avonds altijd weg. Hij bezat namelijk een vel en een ketting om als weerwolf zich te verkleden. In die gedaante maakte hij de mensen bang. Op een avond gooide iemand een rode zakdoek naar de weerwolf. Toen de knecht de volgende dag met rode draden tussen zijn tanden aan de koffietafel verscheen, werd hij op staande voet ontslagen.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (denderstreek)
693
Grootmoeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ophasselt   
