Hoofdtekst
Maurits Hoet hee nog van de mare bereen gewist ot ne kleene wos. Je gienk nog no schoole. En ’s nuchtends zen moeder riep hem en jen kwam niet of. En ze gienk kijken en je zei dat ne ziek wos. En ’t wos een kleen vintje ip zien bedde gesprongen en ’t had zien kele toegenepen. En j’had zo verschoten dat ze heen moeten no den dokteur goan.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een jongetje werd vaak door de maar bereden. Toen de moeder haar zoon op een ochtend ging roepen om naar school te gaan, bleef de jongen in zijn bed liggen omdat hij ziek was. De jongen had een klein mannetje op zijn bed zien springen,dat hem de keel had dichtgeknepen. De jongen was daarvan zo geschrokken dat zijn moeder de dokter moest laten komen.
Bron
H. Van Wassenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (groot-roeselare)
55
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Rumbeke   
