Hoofdtekst
Groenings uit d’Oppemstrate moest gaan petjen zijn (peter) bij zijne zoon, maar ze zeien dat hij ook kost toveren. Maar eer dat ge bij die zoon binnenging, moeste over een brugsken gaan. “Nu za’k weten hoe dat mijn vaâr nen toveneer is”, zei hij. Hij had nep aasnagel onder de brugge gesteken. Ze stonden hem af te wachten, maar vaâr bleef en bleef weg! Ze gingen kijken en mee den anderen hadden ze hem gezien. “Zeg dat ze maar beginnen te gaan, ik moet hier eerst ne keer mijn broek afsteken”, zei hij. “Ge moet daarvoren in de meersen niet gaan.” Maar hij en kost over die brugge niet hé, en hij heeft daar dan een busteling (rammeling) g’had, een ferme!
Beschrijving
Een man had zijn vader laten komen om peter te worden van zijn kind. Omdat men over zijn vader vertelde dat hij een tovenaar was, had de man een paasnagel onder een bruggetje gelegd, waar de vader overheen moest. De vader bleef heel lang weg. Tot enkele voorbijgangers sprak hij: “Gaan jullie maar voort. Ik moet hier eerst even een boodschap doen in de weide”. De man geraakte niet over het bruggetje.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
481
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zandbergen   
