Hoofdtekst
Nard zijn vader hâ nen toverboek. En de priesters van de prochie gingen daar omme, -ze wisten dat, dat diene mens dat hâ. En bij zoverre, da z’hem verdreigd hebben dat ie dienen boek moest geên of dat ie nooit ’t rijk der hemelen en koest bezitten. En ie heeft hem afgegeên.
Beschrijving
Een man die een toverboek bezat, gaf zijn boek aan de pastoors omdat die hadden gezegd dat hij anders nooit het rijk der hemelen zou kunnen bezitten.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (zuiden)
209
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Opbrakel   
