Hoofdtekst
Dat heb ik ook gezien met onzen ouden. We gingen naar Ricks naar de molen. Ik en mijn peerke (vader) waren op de molen, en van aan Bors zagen we daar een lichtje. “Kijk” zei hij, “Tieste, dat is een stalkaars, nu is ze op den boomgaard en vandaar zal ze op onzen spoonstak komen (haag). En Ricks peerke kwam juist thuis met zijn paarden en ’t was donker. En ze stond peerke te lichten en hij kost zijn paarden ulderen harnas (paardentuig) aftrekken. Neen, hij kost ze maar losmaken. Maar om ulderen harnas af te trekken zag hij niet. “Ah gij rosse”, zei hij, “kunt ge mij in de stal niet komen lichten?” En “nondidzu”, ze kwam op d’halve deure zitten en ze lichtte hem. En als hij gedaan had ging die kaars verdomme weg.
Beschrijving
Een vader en een zoon die op een molen waren, zagen in de verte een lichtje vliegen. Toen de molenaar in het donker thuiskwam met zijn paardenkar, had hij niet genoeg licht om het gareel van de paarden te kunnen uittrekken en zei: “Ah gij ros, kan je mijn stal niet komen verlichten?” Het volgende ogenblik kwam het lichtje op de deur van de stal zitten. Wanneer de molenaar klaar was met zijn werk, verdween het licht weer.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
17
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zegelsem   
