Hoofdtekst
I Wat vertelden ze nog meer? Zeiden ze nooit als hier op de straat of in het dorp van die oude vrouwkes waren: "Dat is een heks?"9 Jawel, jawel. Er was hier één op de straat, die heetten ze de Zwarte Marie. Vroeger deden de boeren allemaal een stukske land of twee, drie van drie roeden, vier roeden, vijf roeden en de boeren deden dat met het paard; die moesten dat omploegen en klaarmaken en zaaien en (be)mesten en ‘króóte’ (=bieten) en ‘jarpele’ (= aardappelen) halen. Maar dan moesten die mensen kunnen helpen, en dat was met die vrouw ook. Ik was dan bij de jongsten en dan zeiden ze: "Hermon, je moet daar bij Zwarte Marie gaan vragen. Die moet morgen komen helpen." "Ik ga daar niet graag, dat is een h…" "Wat is dat, jongen?" Ik zeg: "Ja, een heks" [lacht].I En waarom zei ge dat? Die zag uit als een heks?9 Jaja. Vroeger, een vrouw van zestig jaar, zal ik zeggen, dat was een oud mens. Muts op, kleren tot daar [wijst naar de grond]. En nu zie je er van zeventig. Net gelijk mannen: een snor, een baard, aan het ‘sjikke’ (= tabak kauwen) dat het sap hier [wijst naar kin] afliep, wùr.
Beschrijving
Vrouwen van zestig jaar of ouder werden vaak verdacht van hekserij. Die vrouwen droegen een muts en lange kleren en ze hadden een snor en een baard en ze pruimden tabak. Als er veel werk was op het veld, waren de boeren altijd bang om een heks om hulp te vragen.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (groot-riemst)
9H 216
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
