Hoofdtekst
Oeze werkman ging voort rond den achten ’s avons, Neyrinck was zine name, en ’t wos lik een beetje smoor (mist), en je ging over de stukken (akkers), maar je verdoolde hem lik, en je begoste te roepen rond ten tien: "Henri, Henri,.. da wos dan min vader, "Henri, waar zit ik?" Vader ging der naartoe, en je riep zinen name, en je wiste were waar dat ne wos, je zat in ne meers (weide), en j’had heel den tijd rondgelopen.
Beschrijving
Een man die op een mistige avond naar huis wandelde, raakte verdwaald in de velden. Toen de man in paniek raakte, riep hij: "Waar ben ik, waar ben ik?" Zodra iemand zijn naam had genoemd, kon de man zich weer oriënteren. Hij had de hele tijd rondgelopen in een weide.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (ieper)
29
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Neerwaasten   
