Hoofdtekst
X: Hebt ge ooit gehoord van weerwolven?Ja, dat heb ik mijn moeder veel horen zeggen. Zij was van Moorsele en dat is meer dan 100 jaar geleden want zij was van 1861. Dat is gebeurd in haar jeugd. Ze ging dan bij de boeren aardappelen rapen en werken. En toen, bij de boeren kregen ze eens per week wat vlees en het was niet veel. En ze hadden daar gewerkt en ze waren naar huis gegaan, zij en haar vriendin. Maar er was daar een weerwolf die achter hen had gezeten, en mijn moeder zei dat ze kon vliegen in plaats van lopen. En hij kon ze niet krijgen. Een weerwolf had een vel hé? En hij moest dat wegsteken. De boer had gezegd: “Ge moet niet benauwd zijn voor een weerwolf, maar als ge op weg zijt en ge zijt benauwd, neem dan uw voorschootsnoeren (-linten) en knoop ze aaneen, en knoopt er knoopjes in. Zoveel als ge kunt. “Eer hij aan u geraakt moet hij al die knoopjes opentrekken met zijn tanden en met zijn poten.” En mijn moeder en haar kameraad, als het ’s anderendaags was zeggen ze dat tegen de boer dat ze moeten lopen hebben voor een weerwolf. En daarmee zegt die boer: “Dat ik moest weten dat het iemand van mijn hof is, ‘k smijt hem direct buiten.” En er was ene van zijn knechten die met die deeltjes van die snoeren tussen zijn tanden liep zonder dat hij het wist. “Kijk,” zegt mijn moeders kameraad, “die zit nog met die snoeren tussen zijn tanden.” “Wel,” zei de boer, “maakt u gereed, als ge gegeten hebt, ga dan weg en kom nooit meer op mijn hof.” En die zijn vel zat op de oven en een tijd nadien moest hij zijn vel hebben of anders gingen ze verloren. En die boer heette zijn oven en hij was per toeval op de oven gegaan voor naar het hout te kijken toen hij dat vel vond. Hij stak het bijna in de oven, maar die knecht zei: “Boer, doe mij dat plezier, ik moet het niet lang meer hebben, steek het toch in de oven niet of ik ben verloren.” En die boer heeft het teruggegeven.
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een meisje ging bij een boer aardappelen rapen en andere klusjes opknappen. Op haar weg naar huis werd het meisje samen met haar vriendin achtervolgd door een weerwolf, waardoor ze snel wegliep. Toen het meisje aan de boer vertelde wat ze had meegemaakt, antwoordde hij: “Je hoeft niet bang te zijn, meisje. Je moet knopen maken in de linten van je schort. Als je de weerwolf nog eens tegenkomt, moet je die schort naar hem gooien en dan zal hij al die knopen moeten lostrekken. Als ik zou weten dat de weerwolf iemand van mijn boerderij is, dan zou ik hem meteen buitengooien”. Toen het meisje de weerwolf weer tegenkwam, deed ze wat de boer haar had aangeraden. De volgende dag had één van de knechten op de boerderij de vezels van de schort nog tussen zijn tanden. Daarop sprak de boer tot de knecht: “Zodra je gegeten hebt, wil ik dat je mijn boerderij verlaat”. Toen de boer bij zijn oven kwam, vond hij daar het vel van de weerwolf. Hij wilde het vel in de oven gooien, maar de knecht kwam aangelopen en zei: “Boer, doe mij dat plezier. Ik heb het vel niet lang meer nodig. Gooi het niet in de oven of ik ben verloren”. De boer heeft zijn knecht het vel teruggegeven.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (zuiden)
75D
Vóór 1875
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Edelare   

