Hoofdtekst
I -Maar over weerwolven, vooral over sagen zou ik veel willen hebben.20 -Wat, manneken?I -Over sagen.II -Weerwolven of zo.I -Sagen, weerwolven, dwaallichtjes ...II -Dwaallichtjes, lichtjes zo die ze zagen.20 -Ja, maar dat wierd allemaal gemaakt hé.17 -Dat lichtje dat wierd vroeger ...20 -Ja, met beeten.17 -Stalkeersen.20 -Een beete uitgesneden.16 B -Een beterave uitgegraven en daar zetten ze een keerse (kaars) in hé.20 -En daar een kaars in. En dat zetten ze op straat.16 -En ze sneden daar ogen in en een mond hé en daarmee was ‘t precies een mens. Ze zetten dat in d’haag en daar een keerse (kaars) in en de mensen liepen heur (zich) dood (van angst).17 -Ze waren schou (bang) hé. Jawel, jawel.20 -Dat is het juist, want dat is de waarheid.(de informanten wjken nu volledig af van het onderwerp en dus zette ik het bandje even stil.)
Beschrijving
Vroeger maakten de mensen soms zelf stalkaarsen door een kaars in een uitgeholde raap te zetten.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
16B
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Erwetegem   
