Hoofdtekst
De rechtzaak
Zoals gebruikelijk was ik mij wezen melden bij het arbeidsbureau in de hoop op een baantje. Maar mijn Turkse afkomst werkte tegen me. Ik zag het aan de reactie van de beambte.
"Tja..."
Als ik nou kon machinebankwerken of computers repareren of desnoods meubel maken, ja, dan lagen de banen voor het opscheppen. Maar vacatures voor hodja, dat kon ik in Nederland wel vergeten.
"Kunt u niet iets anders, iets bijzonders, iets aparts?" vroeg de beambte.
En ik greep mijn kans.
"Jazeker, mevrouw, ik kan een schouder bieden om op uit te huilen."
"Tja."
"Ik kan prachtig voorbidden."
"Tja."
"Ik kan brieven schrijven... En uh, ik ben kadi."
"Aah, kadi, u bent rechter."
We waren allebei zichtbaar opgelucht. Eindelijk een bruikbare aanwijzing. De beambte raadde me aan om een gesprek aan te vragen bij de rechtbank.
"Misschien, misschien hebben ze daar een baantje voor u."
De volgende dag haastte ik me naar de rechtbank. Ik liet mij onmiddellijk aandienen bij de dienstdoend rechter. Hij ontving me hartelijk.
"Nasreddin Hodja! Collega! Wat verschaft mij de eer? Wat kan ik voor u doen?"
Ik legde hem uit dat de beambte en ik hadden ontdekt dat ik hier in Nederland als rechter het best tot mijn recht zou komen. En dat ik het liefst morgen zou willen beginnen.
"Een baan, hodja, juist! Maar ik dacht: een bezoek, een goed gesprek, een dineetje, een toast. Maar een baan... Collega, dat gaat zo maar niet. Daar is een erkende studie voor nodig, een carrière, een aanbeveling, en bovendien, collega: de rechtspraak in zo'n ver land als Turkije..."
"Geen enkel probleem," zei ik: "Net als hier: diefstal wordt bestraft, vervalsingen, bedriegerijen... Ik verheug me al op de samenwerking."
"Maar een baan, hodja, een baan! Ik kan u hooguit af en toe om advies vragen, als deskundige. Weet u wat ik doe? Ik geef u de eretitel magistraat: ere-rechter. Wat denkt u daar van?"
Ere-rechter! Ik had een baan! En wat voor één! Ik bestelde meteen een bureau.
"Een bureau? Maar hodja, wat gaat u dan in Godsnaam doen hier in de rechtzaal?"
Ik stelde mijn collega gerust. Ik zou rustig in een hoekje gaan zitten, niet in de weg lopen, goed opletten en...
"Mocht u ergens zelf niet uitkomen, rechter, dan stuurt u die zaak gewoon door naar uw ere rechter. De ene dienst is de andere waard. Ik heb tijd genoeg."
En er kwam een gloednieuw bureau achterin de zaal. Met twee ladenblokken, een pennenbak, twee ordners en een perforator. En de volgende dag zat ik klaar voor de dingen die komen gingen. De eerste paar dagen waren ronduit saai. Diefstalletjes, burenruzies, verkeers overtredingen... de rechter kon het gemakkelijk zelf af. Ik had het hem niet kunnen verbeteren. Maar de eerste zaak op woensdag, dat was iets aparts. Dat zag ik direkt. Eerst schuifelde er een keurige winkelier in een tweedelig grijs pak naar binnen. En daar achteraan liep een kwieke jongeman met een prachtige groene hanenkam boven op zijn hoofd. De jongen nam het woord.
"Edelachtbare, voor die grijze muis daar heb ik met mijn eigen handen een prachtige grafitti ontworpen. Na maanden dagelijks boenen en schrobben was meneer het kennelijk zat, want toen ik op een mooie zondagavond even mijn tag kwam zetten, wachtte meneer mij op met een honkbalknuppel. Ik had medelijden met hem, edelachtbare. En ik bood aan om een compleet ontwerp te leveren. Iedereen tevreden. Alle andere spuitbus-artiesten zouden mijn muur respecteren. Meneer daar ging accoord met mijn aanbod en zei erbij dat hij mij niets voor de moeite zou geven. En nadat mijn piece klaar was, vroeg ik hem om mijn loon. Maar hij weigerde om me iets te geven. En daarvoor zijn wij hier, edelachtbare. Want niets moet toch iets zijn. Anders kun je het iemand niet geven, nietwaar? Edelachtbare, ik wil niets."
Er viel een stilte. De winkelier wees veelbetekenend naar zijn voorhoofd. De rechter speelde nadenkend met zijn rechter oorlelletje, en de jongen keek naar het plafond. De stilde duurde voort. De winkelier haalde zijn schouders op. De rechter speelde nadenkend met zijn linker oorlelletje, en de jongen ontdekte het portret van de koningin. Spontaan viel zijn tong naar buiten.
"Blèèèhh!"
Hier moest ingegrepen worden.
Ik stond op, wenkte mijn collega en zei: "Stuurt u ze maar door. Dit lijkt mij typisch een zaak voor de ere-rechter."
Ik liet de jongen zijn verhaal herhalen en luisterde geduldig en met begrip naar zijn avonturen. En daarna wendde ik me tot de winkelier, en vroeg of hij inderdaad de opdracht had gegeven om zijn gevel voor niets te laten versieren. De man knikte berustend. Ik stond op en wendde mij tot de publieke tribune.
"Dames en heren. Zoals meestal is ook dit een eenvoudige zaak. Deze jongeman hier heeft een kunstwerk geleverd, en natuurlijk moet hij daarvoor worden beloond. Dat zegt ons de wet. Beste kunstenaar, ziet u daar in het midden van de rechtzaal dat mooie tapijt liggen? Prachtig Oosters handwerk, nietwaar? Een kunstwerk mag ik wel zeggen. Ligt er iets onder dat kleedje? Wat zegt u? Kunt u dat even herhalen? Aaahh, niets! Dank u wel! Allah geprezen! Uw beloning is terecht. Hij lag hier onder het kleedje. Neemt u hem toch mee. Het is uw verdiende loon. Graag gedaan, meneer de rechter. Tot uw dienst. Nee, absoluut geen moeite."
(Op de audio-cassette van de vertelvoorstelling Hodja in Holland van Marco Holmer)
Zoals gebruikelijk was ik mij wezen melden bij het arbeidsbureau in de hoop op een baantje. Maar mijn Turkse afkomst werkte tegen me. Ik zag het aan de reactie van de beambte.
"Tja..."
Als ik nou kon machinebankwerken of computers repareren of desnoods meubel maken, ja, dan lagen de banen voor het opscheppen. Maar vacatures voor hodja, dat kon ik in Nederland wel vergeten.
"Kunt u niet iets anders, iets bijzonders, iets aparts?" vroeg de beambte.
En ik greep mijn kans.
"Jazeker, mevrouw, ik kan een schouder bieden om op uit te huilen."
"Tja."
"Ik kan prachtig voorbidden."
"Tja."
"Ik kan brieven schrijven... En uh, ik ben kadi."
"Aah, kadi, u bent rechter."
We waren allebei zichtbaar opgelucht. Eindelijk een bruikbare aanwijzing. De beambte raadde me aan om een gesprek aan te vragen bij de rechtbank.
"Misschien, misschien hebben ze daar een baantje voor u."
De volgende dag haastte ik me naar de rechtbank. Ik liet mij onmiddellijk aandienen bij de dienstdoend rechter. Hij ontving me hartelijk.
"Nasreddin Hodja! Collega! Wat verschaft mij de eer? Wat kan ik voor u doen?"
Ik legde hem uit dat de beambte en ik hadden ontdekt dat ik hier in Nederland als rechter het best tot mijn recht zou komen. En dat ik het liefst morgen zou willen beginnen.
"Een baan, hodja, juist! Maar ik dacht: een bezoek, een goed gesprek, een dineetje, een toast. Maar een baan... Collega, dat gaat zo maar niet. Daar is een erkende studie voor nodig, een carrière, een aanbeveling, en bovendien, collega: de rechtspraak in zo'n ver land als Turkije..."
"Geen enkel probleem," zei ik: "Net als hier: diefstal wordt bestraft, vervalsingen, bedriegerijen... Ik verheug me al op de samenwerking."
"Maar een baan, hodja, een baan! Ik kan u hooguit af en toe om advies vragen, als deskundige. Weet u wat ik doe? Ik geef u de eretitel magistraat: ere-rechter. Wat denkt u daar van?"
Ere-rechter! Ik had een baan! En wat voor één! Ik bestelde meteen een bureau.
"Een bureau? Maar hodja, wat gaat u dan in Godsnaam doen hier in de rechtzaal?"
Ik stelde mijn collega gerust. Ik zou rustig in een hoekje gaan zitten, niet in de weg lopen, goed opletten en...
"Mocht u ergens zelf niet uitkomen, rechter, dan stuurt u die zaak gewoon door naar uw ere rechter. De ene dienst is de andere waard. Ik heb tijd genoeg."
En er kwam een gloednieuw bureau achterin de zaal. Met twee ladenblokken, een pennenbak, twee ordners en een perforator. En de volgende dag zat ik klaar voor de dingen die komen gingen. De eerste paar dagen waren ronduit saai. Diefstalletjes, burenruzies, verkeers overtredingen... de rechter kon het gemakkelijk zelf af. Ik had het hem niet kunnen verbeteren. Maar de eerste zaak op woensdag, dat was iets aparts. Dat zag ik direkt. Eerst schuifelde er een keurige winkelier in een tweedelig grijs pak naar binnen. En daar achteraan liep een kwieke jongeman met een prachtige groene hanenkam boven op zijn hoofd. De jongen nam het woord.
"Edelachtbare, voor die grijze muis daar heb ik met mijn eigen handen een prachtige grafitti ontworpen. Na maanden dagelijks boenen en schrobben was meneer het kennelijk zat, want toen ik op een mooie zondagavond even mijn tag kwam zetten, wachtte meneer mij op met een honkbalknuppel. Ik had medelijden met hem, edelachtbare. En ik bood aan om een compleet ontwerp te leveren. Iedereen tevreden. Alle andere spuitbus-artiesten zouden mijn muur respecteren. Meneer daar ging accoord met mijn aanbod en zei erbij dat hij mij niets voor de moeite zou geven. En nadat mijn piece klaar was, vroeg ik hem om mijn loon. Maar hij weigerde om me iets te geven. En daarvoor zijn wij hier, edelachtbare. Want niets moet toch iets zijn. Anders kun je het iemand niet geven, nietwaar? Edelachtbare, ik wil niets."
Er viel een stilte. De winkelier wees veelbetekenend naar zijn voorhoofd. De rechter speelde nadenkend met zijn rechter oorlelletje, en de jongen keek naar het plafond. De stilde duurde voort. De winkelier haalde zijn schouders op. De rechter speelde nadenkend met zijn linker oorlelletje, en de jongen ontdekte het portret van de koningin. Spontaan viel zijn tong naar buiten.
"Blèèèhh!"
Hier moest ingegrepen worden.
Ik stond op, wenkte mijn collega en zei: "Stuurt u ze maar door. Dit lijkt mij typisch een zaak voor de ere-rechter."
Ik liet de jongen zijn verhaal herhalen en luisterde geduldig en met begrip naar zijn avonturen. En daarna wendde ik me tot de winkelier, en vroeg of hij inderdaad de opdracht had gegeven om zijn gevel voor niets te laten versieren. De man knikte berustend. Ik stond op en wendde mij tot de publieke tribune.
"Dames en heren. Zoals meestal is ook dit een eenvoudige zaak. Deze jongeman hier heeft een kunstwerk geleverd, en natuurlijk moet hij daarvoor worden beloond. Dat zegt ons de wet. Beste kunstenaar, ziet u daar in het midden van de rechtzaal dat mooie tapijt liggen? Prachtig Oosters handwerk, nietwaar? Een kunstwerk mag ik wel zeggen. Ligt er iets onder dat kleedje? Wat zegt u? Kunt u dat even herhalen? Aaahh, niets! Dank u wel! Allah geprezen! Uw beloning is terecht. Hij lag hier onder het kleedje. Neemt u hem toch mee. Het is uw verdiende loon. Graag gedaan, meneer de rechter. Tot uw dienst. Nee, absoluut geen moeite."
(Op de audio-cassette van de vertelvoorstelling Hodja in Holland van Marco Holmer)
Beschrijving
Nasreddin Hodja kan geen werk vinden, maar wordt tenslotte benoemd als ere-rechter. Hij spreekt recht in een zaak tussen een winkelier en een punker. De winkelier had "niets" in het vooruitzicht gesteld voor een stuk grafitti van de punker. Nu eist de punker het "niets" op als beloning. Nasreddin weet raad: dat "niets" als beloning ligt onder het kleed in de rechtzaal.
Bron
audio-cassette van de vertelvoorstelling Hodja in Holland van Marco Holmer
Commentaar
1998 (?)
Naam Overig in Tekst
Turk   
Nasreddin Hodja   
Oosters   
Allah   
God   
Naam Locatie in Tekst
Nederland   
Turkije   
Datum Invoer
2013-03-01 12:25:00
