Hoofdtekst
De soeppan
Een heerlijke pan soep. Wat had ik daar een zin in. Al in geen drie dagen had ik nauwelijks iets te eten gehad, toen ik twee bouillonblokjes, een prei en twee tomaten kreeg. Ik greep de oude kookpot van mijn vader van de muur en goot hem vol met water. En ik goot, en ik goot, en ik goot... D'r kwam maar geen einde aan. Een gat! Een gat in de kookpot van mijn vader. En niet zo'n kleintje ook. Ongeveer net zo groot als het gat in mijn portemonnee. Eén tientje, dat was alles. Met kookpot en portemonnee stapte ik naar het warenhuis in onze straat.
"Kunt u deze pan voor mij repareren, meneer? En het liefst voor zes uur, als het kan."
"Repareren, hodja? Haha, nee nee nee nee, daar is geen markt meer voor. Wij verkopen alleen nog RVS: roestvrijstaal. Ik heb nog een aardig nestje voor u in de aanbieding: vijfdelig met vuurvaste greepjes."
"Zozo, koopman. En wat mag zo'n vogelnestje dan wel niet kosten?"
"Voor u, hodja, 270 gulden, omdat u het bent."
"Tweehonderd."
"Haha, 230, hodja, maar dan zonder de steelpan, anders leg ik er op toe. Dat begrijpt u."
"Honderdtachtig."
"Okee, hodja, okee, okee, maar dan wel zonder de grote soeppan."
"Zonder de soeppan, koopman? Zonder de soeppan is uw nestje absoluut niets waard. Honderd gulden bied ik."
"Voor drie van die prachtige pannen, hodja? Bent u soms gek geworden?"
"Om den drommel niet, koopman. Ik heb maar één pan nodig. Vijftig."
"Voor zo'n prachtige roestvrijstalen pan is tachtig gulden de uiterste grens, hodja."
"Veertig, koopman."
"Hodja, zeventig."
"Dertig."
"Hodja, alstublieft. Zestig."
"Twintig."
"Hodja, u ruïneert me. Vijftig."
"Tien gulden, koopman. Mijn allerlaatste bod. Ik wens niet meer dan tien gulden uit te geven aan zo'n ordinaire pan. Het gaat uiteindelijk om de soep, niet om de pan."
"Ordinaire pan? Ordinaire pan? Ik zal u! Geeft u maar hier uw tientje, dan krijgt u van mij een ordinaire pan zoals u wenst."
Wat ben ik toch een stijfkop. In plaats van de eer aan mijzelf te laten, liet ik mij afschepen met een kinder-serviesjespan. Vijf centimeter in doorsnee. Nog niet eens groot genoeg om scheerwater in warm te maken. En nog steeds geen soep. En een nog groter gat in mijn portemonnee. Hodja, zei ik tegen mijzelf: wees nou eens verstandig. Ga naar de buurman, leen een pan, kook soep en ga slapen. Ik liep met mijn hongerige maag naar de buurman, klopte op de deur en luisterde met een stijgende verbazing naar de preek die over de onderdeur op mij afkwam.
"Ik leg altijd wat geld opzij. Ik teer niet op mijn buren."
"Ja, buurman."
"Ik houd mij aan de regel dat de ene dienst de andere waard moet zijn."
"Ja, buurman."
"Ik zorg er altijd voor dat ik mijn zaken tiptop in orde heb."
"Ja, buurman."
"Ik breng altijd alles wat ik leen keurig op tijd terug."
"Ja, buurman. Buurman, alstublieft, mag ik een pan van u lenen? Mijn prei en mijn bouillonblokjes worden koud."
"Morgenochtend gepoetst en gewreven om zeven uur precies terug. Begrepen, hodja?"
En eindelijk, eindelijk kon ik bij een flakkerend kaarsje mijn knorrende maag tevreden stellen met een heerlijke pan soep.
Om zes uur de wekker. Ik sprong uit mijn bed, kleedde mij aan alsof ik naar een doopfeest ging, poetste mijn schoenen en stond nog ver voor zeven uur met de soeppan en de babypan voor de deur van mijn buurman.
Ik liet de bel schetteren, en voordat mijn buurman boos tegen mij kon uitvaren, riep ik enthousiast: "Gefeliciteerd, buurman! Er is een wonder gebeurd. Midden in de nacht hoorde ik huilen in de keuken, en toen ik ging kijken, zag ik dat jouw soeppan het leven had geschonken aan een nakomeling. Een zoon nog wel! Nogmaals van harte gefeliciteerd, buurman."
En ik drukte de verbaasde man de kleine babypan en de grote kookpan in zijn handen.
"D-d-dankuwel, hodja, uh... Attent van u. D-d-dank u, dank u."
En tevreden keerde ik terug naar huis. Een week later had ik opnieuw een meevaller. Ik kwam thuis met een echte schenkel. Ik legde hem op de keukentafel en liep gelijk door naar de buren. Zonder moeite kreeg ik de grootste kookpan mee die d'r in het hele huis te vinden was. En een soepje! Hmmm! Met venkel, met selderie, met wortelen, champignons, zelfs met balletjes! En mijn buik werd voller en voller. Ik kon niet meer ophouden met eten. En de volgende ochtend sliep ik uit. 's Middags werd er aan de deur gebeld. Door het raampje herkende ik het silhouet van mijn buurman. Ik ging voor de spiegel staan en oefende mijn verdrietigste gezicht. En daarna deed ik de deur open.
"Buurman, vergeef me," sprak ik, "ik had niet de moed om het u te vertellen."
"Hodja, waar heeft u het over? Mijn pan! Ik had u nog zo nadrukkelijk gezegd: voor zeven uur, gepoetst en gewreven."
"Buurman," sprak ik, "uw kookpot is niet meer. Bij het aanbreken van de dag is hij overleden. Gecondoleerd, buurman."
"Hodja, u wilt me toch niet wijsmaken dat mijn ketel is doodgegaan? Hodja, nu ga je toch te ver. Mijn pan! Ogenblikkelijk!"
"Buurman," sprak ik, "wat bent u toch een mingelovige. De zoon van die oude kookpot verwelkomt u met open armen in uw huis, maar nu de oude moeder is overleden, wilt u niets met haar te maken hebben. Ik zal wel voor de begrafenis zorgdragen."
En waardig sloot ik de deur.
(Op de audio-cassette van de vertelvoorstelling Hodja in Holland van Marco Holmer)
Een heerlijke pan soep. Wat had ik daar een zin in. Al in geen drie dagen had ik nauwelijks iets te eten gehad, toen ik twee bouillonblokjes, een prei en twee tomaten kreeg. Ik greep de oude kookpot van mijn vader van de muur en goot hem vol met water. En ik goot, en ik goot, en ik goot... D'r kwam maar geen einde aan. Een gat! Een gat in de kookpot van mijn vader. En niet zo'n kleintje ook. Ongeveer net zo groot als het gat in mijn portemonnee. Eén tientje, dat was alles. Met kookpot en portemonnee stapte ik naar het warenhuis in onze straat.
"Kunt u deze pan voor mij repareren, meneer? En het liefst voor zes uur, als het kan."
"Repareren, hodja? Haha, nee nee nee nee, daar is geen markt meer voor. Wij verkopen alleen nog RVS: roestvrijstaal. Ik heb nog een aardig nestje voor u in de aanbieding: vijfdelig met vuurvaste greepjes."
"Zozo, koopman. En wat mag zo'n vogelnestje dan wel niet kosten?"
"Voor u, hodja, 270 gulden, omdat u het bent."
"Tweehonderd."
"Haha, 230, hodja, maar dan zonder de steelpan, anders leg ik er op toe. Dat begrijpt u."
"Honderdtachtig."
"Okee, hodja, okee, okee, maar dan wel zonder de grote soeppan."
"Zonder de soeppan, koopman? Zonder de soeppan is uw nestje absoluut niets waard. Honderd gulden bied ik."
"Voor drie van die prachtige pannen, hodja? Bent u soms gek geworden?"
"Om den drommel niet, koopman. Ik heb maar één pan nodig. Vijftig."
"Voor zo'n prachtige roestvrijstalen pan is tachtig gulden de uiterste grens, hodja."
"Veertig, koopman."
"Hodja, zeventig."
"Dertig."
"Hodja, alstublieft. Zestig."
"Twintig."
"Hodja, u ruïneert me. Vijftig."
"Tien gulden, koopman. Mijn allerlaatste bod. Ik wens niet meer dan tien gulden uit te geven aan zo'n ordinaire pan. Het gaat uiteindelijk om de soep, niet om de pan."
"Ordinaire pan? Ordinaire pan? Ik zal u! Geeft u maar hier uw tientje, dan krijgt u van mij een ordinaire pan zoals u wenst."
Wat ben ik toch een stijfkop. In plaats van de eer aan mijzelf te laten, liet ik mij afschepen met een kinder-serviesjespan. Vijf centimeter in doorsnee. Nog niet eens groot genoeg om scheerwater in warm te maken. En nog steeds geen soep. En een nog groter gat in mijn portemonnee. Hodja, zei ik tegen mijzelf: wees nou eens verstandig. Ga naar de buurman, leen een pan, kook soep en ga slapen. Ik liep met mijn hongerige maag naar de buurman, klopte op de deur en luisterde met een stijgende verbazing naar de preek die over de onderdeur op mij afkwam.
"Ik leg altijd wat geld opzij. Ik teer niet op mijn buren."
"Ja, buurman."
"Ik houd mij aan de regel dat de ene dienst de andere waard moet zijn."
"Ja, buurman."
"Ik zorg er altijd voor dat ik mijn zaken tiptop in orde heb."
"Ja, buurman."
"Ik breng altijd alles wat ik leen keurig op tijd terug."
"Ja, buurman. Buurman, alstublieft, mag ik een pan van u lenen? Mijn prei en mijn bouillonblokjes worden koud."
"Morgenochtend gepoetst en gewreven om zeven uur precies terug. Begrepen, hodja?"
En eindelijk, eindelijk kon ik bij een flakkerend kaarsje mijn knorrende maag tevreden stellen met een heerlijke pan soep.
Om zes uur de wekker. Ik sprong uit mijn bed, kleedde mij aan alsof ik naar een doopfeest ging, poetste mijn schoenen en stond nog ver voor zeven uur met de soeppan en de babypan voor de deur van mijn buurman.
Ik liet de bel schetteren, en voordat mijn buurman boos tegen mij kon uitvaren, riep ik enthousiast: "Gefeliciteerd, buurman! Er is een wonder gebeurd. Midden in de nacht hoorde ik huilen in de keuken, en toen ik ging kijken, zag ik dat jouw soeppan het leven had geschonken aan een nakomeling. Een zoon nog wel! Nogmaals van harte gefeliciteerd, buurman."
En ik drukte de verbaasde man de kleine babypan en de grote kookpan in zijn handen.
"D-d-dankuwel, hodja, uh... Attent van u. D-d-dank u, dank u."
En tevreden keerde ik terug naar huis. Een week later had ik opnieuw een meevaller. Ik kwam thuis met een echte schenkel. Ik legde hem op de keukentafel en liep gelijk door naar de buren. Zonder moeite kreeg ik de grootste kookpan mee die d'r in het hele huis te vinden was. En een soepje! Hmmm! Met venkel, met selderie, met wortelen, champignons, zelfs met balletjes! En mijn buik werd voller en voller. Ik kon niet meer ophouden met eten. En de volgende ochtend sliep ik uit. 's Middags werd er aan de deur gebeld. Door het raampje herkende ik het silhouet van mijn buurman. Ik ging voor de spiegel staan en oefende mijn verdrietigste gezicht. En daarna deed ik de deur open.
"Buurman, vergeef me," sprak ik, "ik had niet de moed om het u te vertellen."
"Hodja, waar heeft u het over? Mijn pan! Ik had u nog zo nadrukkelijk gezegd: voor zeven uur, gepoetst en gewreven."
"Buurman," sprak ik, "uw kookpot is niet meer. Bij het aanbreken van de dag is hij overleden. Gecondoleerd, buurman."
"Hodja, u wilt me toch niet wijsmaken dat mijn ketel is doodgegaan? Hodja, nu ga je toch te ver. Mijn pan! Ogenblikkelijk!"
"Buurman," sprak ik, "wat bent u toch een mingelovige. De zoon van die oude kookpot verwelkomt u met open armen in uw huis, maar nu de oude moeder is overleden, wilt u niets met haar te maken hebben. Ik zal wel voor de begrafenis zorgdragen."
En waardig sloot ik de deur.
(Op de audio-cassette van de vertelvoorstelling Hodja in Holland van Marco Holmer)
Onderwerp
AT 1592B - The Pot Has a Child and Dies   
ATU 1592B - The Pot Has a Child and Dies.   
Beschrijving
De soeppan van Nasreddin Hodja is kapot, en hij kan hem niet meer gemaakt krijgen. Op een nieuwe pan dingt de hodja zo lang af, dat hij een pan uit een kinderserviesje krijgt. Dan gaat de hodja maar een soeppan lenen bij zijn buurman, die veel eisen stelt. De volgende dag geeft de hodja de soeppan terug met het kinderpannetje erbij: de grote pan was zwanger en is bevallen van een kleintje. De volgende keer kan de hodja met gemak een pan lenen bij de buurman. Maar de volgende dag moet de hodja meedelen dat de pan is overleden. De buurman protesteert, maar de hodja doet een beroep op zijn geloof: als je gelooft dat een pan kan bevallen, waarom geloof je dan niet dat een pan kan doodgaan?
Bron
audio-cassette van de vertelvoorstelling Hodja in Holland van Marco Holmer
Motief
J1531.3 - The pot has a child and dies.   
Commentaar
1998 (?)
The Pot Has a Child and Dies
Naam Overig in Tekst
Nasreddin Hodja   
Turk   
Nederlander   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
