Hoofdtekst
Vader woer bij den troep, dat is echt woer geweest en er sliep neven ene goeie kameraad. Als die de wacht moest opgaan dan gebaarden (deed hij alsof) er altijd al woer er bang (alsof hij bang was). 'Ja zegt vader, dow - Ich zal wel voor dich op wacht gaan staan. Ich bin niet bang' - Ja aangenomen, 'maar dees nacht alste (als ge) op wacht stèès (staat), zalste toch wel bang zijn.' Ja, goed. Er gong de wacht op en misschien e kwartierke gestaan, dow koem enen hond bij 'm op de wacht, ene grote zwarte hond. En er zegde do al zo get (iets) tegen, maar er koem niet heel kort bij 'm en als vader bleef staan, dan zat zich den hond ook op z'n achterste. En zo de heel wacht. Dow kreeg er (vader) bang en dow koem er terug in z'n kamer en dow vroeg die wei (hoe) 't gangen woer op de wacht. 'O goed', zei vader. 'Ich heb goei compagnie gehad.' 'Ja, wat 'n compagnie hebste gehad?' vroeg de jong - 'Ja ich heb enen hond bij mech op de wacht gehad.' 'En biste do niet bang voor geworden?' - 'Ja', zegt vader, 't viel vreemd en wei de vier uren om waren moest er weer de wacht op. Dow woer 't zijn uur. 'Ja weetste (weet ge) waste dees (wat ge doet)' zei de jong. 'Ich zal dech mene maalplag meegeven en wiste den (uw) neus maar af en dan zalste wel zien met wat enen hond daste (dat ge) te doen hebs. Schieten dat hoefste nie te doen, dat helpt dech toch niet. En dat had me vader gedaan en dow (toen) stond die kameraad bij 'm en die lachten 'm ferm uit. In de plaats van dèn hond ja!
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een soldaat sliep naast een goede vriend die altijd bang was wanneer hij 's nachts de wacht moest houden. "Ik zal wel voor jou de wacht houden. Ik ben toch niet bang", bood de soldaat aan. "Ja, dat is goed", zei de vriend, "maar vannacht zal je toch wel bang zijn!" Toen de soldaat op wacht stond, kwam er een grote zwarte hond naast hem zitten. Na afloop van zijn taak vertelde de soldaat aan zijn vriend wat hij had gezien. "Ik zal je mijn zakdoek geven", zei de vriend, "en wanneer je dan je neus snuit, zal je wel zien met wat voor hond je te maken hebt!" De soldaat deed wat hem was aangeraden en snoot zijn neus met de zakdoek. Het volgende ogenblik veranderde de hond in zijn vriend, die hem stond uit te lachen.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bilzen)
488
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Gellik   
