Hoofdtekst
Hij ging eens noa Tongeren - Hang Jozef, dan - en he kwam terug thuis. Aan de bos boven, het was middernach(t), één, twee uren, ziet er twee mannen van verres, ze gingen voor hem door, het waren twee bruin paters. Hij spoeidde hem voor ze te krijgen; - mè dat waren geen echte. - Weiter (= toen hij) gelijk was zeiter tegen hun: 'Ich ben blij!' - 'He(b)t zje bang?' vroegen ze toen. - 'Nein' zeiter. Toen namen de paters - dat waren verkleedde - hem vas(t) voor hem ze geld af te pakken, mè hij pakte ze elek in één hand en he schudde ze tegeneen met de köp (= hoofden) en weiter (= toen hij) zo ene keer of intig (= een paar keren) geschud had, toen gooideter ze, den ene hier en den andere de bos in. 's Anderendaags kwamen de minsen het veld in en die vroegen hun af 'Wa is hier zo geros (= gerausd)?' en ze gingen kieke. 'Ene pater!' riep den ene, 'en hier lig(t) nog ene in de bos!' riep den andere. De twee paters lagen doa dood. Toen gekik (= gekeken)!... en toen zagen ze dat het ene was wa op geld af was, den anderen ook.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Toen Hang Jozef omstreeks middernacht terugkwam van Tongeren, kwam hij twee bruine paters tegen. Omdat hij zag dat de paters vermomde rovers waren, sloeg Hang Jozef de mannen met hun hoofden tegen elkaar. Daarna gooide hij de twee misdadigers moeiteloos met één hand in het bos. De volgende dag werden de twee rovers dood in het bos aangetroffen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.2 Tovenaars
limburgs (tongeren en omstreken)
869
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Hang Jozef   
Bruine Paters   
Naam Locatie in Tekst
's Heerenelderen   
Plaats van Handelen
Tongeren   
