Hoofdtekst
Mijn oudste broer is dood. Hij was van 1904. En als hij jong was ging hij te vrijen naar Eine. De ene ging naar Eine, de andere ergens anders, ik ben de mijne wel gaan halen in Nederzwalm. En hij komt 's avonds naar huis. Maar aan de brug van Eine, dat was daar nu een houten brug en langs weerszijden stonddaar een grote haag. Dat was een schuie baan om naar huis te komen hoor. En hij komt van Eine van bij zijn lief, maar als hij daar aan die hagen komt, komt er daar een grote zwarte hond naast hem. Hij kon zich niet meer verroeren, hij was dood van de schrik. Hij komt naar huis, hij woonde hier en op 't ogenblik dat hij aan ons deur kwam, keerde die hond terug. En hij heeft hem nooit meer teruggezien. Wat was dat ? Ik weet het niet. Hij heeft het nooit geweten en ik ook niet.
Beschrijving
Een jongen die ’s avonds terugkwam van een bezoek aan zijn vriendin in Ename, moest over een brug waarnaast hoge hagen stonden. Op die plaats zag de man een grote zwarte hond naast zich staan, waardoor hij bleef staan van angst. Op zekere ogenblik maakte de hond rechtsomkeer. Men heeft het dier daarna nooit meer gezien.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (zuiden)
176F
Omstreeks 1924
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nederename   
Plaats van Handelen
Ename   

