Hoofdtekst
RdB: Dat zei die Marokkaanse opa ook die bij mijn buren logeerde, dat het in Nederland zo koud was. Die waren ook zo dom geweest... ja, dat vind ik nou echt dom, hè? Ik bedoel: dan woon je als Marokkaanse familie al twintig jaar in Nederland, dan laat je een keer je opa overkomen uit Marokko voor een paar maanden, en dan doe je dat in de winter! Die man die kwam om! Maar wat er wel leuk aan was: omdat 'ie zoveel binnen moest zitten, vertelde 'ie leuke verhalen. Verhalen van vroeger, toen 'ie nog met zijn broer op avontuur ging in de woestijn. Of in de bergen. Lang geleden gebeurd. Allemaal in Marokko. Urenlang kon die vertellen. En hij vertelde één verhaal, en dat vond ik zeer bijzonder. Dat ging over wonderkamelen. Hebben jullie wel eens van wonderkamelen gehoord? Nee? Wist je niet dat ze bestonden? Kamelen die sneller kunnen dan dat je kan knipperen met je ogen. Knipper eens met je oog. Doe allemaal eens even met je oog knipperen... Is 'ie weg!
[Publiek lacht]
En die grootvader, toen 'ie nog jong was, die had met zijn broer samen... hadden ze een gerucht gehoord. Dat er ergens, in een stad in de Sahara, dat daar wonderkamelen werden gehouden. Nou, dat leek ze wel wat. Zo'n wonderkameel gaan halen en daarna mee op naar huis gaan. En dan de blits maken in het dorp. Dus die twee broers die trokken er op uit. Ze kwamen aan in de Sahara, en ze raakten aan het dolen; ze raakten een paar keer de weg kwijt, ze vonden ook de weg weer terug. Ze kregen dorst. Ze doolden rond en net toen ze bijna omkwamen van de dorst toen vonden ze een oase. Ze fristen zich wat op, ze dronken wat water, ze vulden hun veldflessen, en terwijl ze daar aan die oase stonden, zagen ze ineens in de verte een stofwolk opdoemen. Een roversbende. En van die roverbendes, daar hadden ze van gehoord: daar moest je niks mee te maken krijgen! Dus zo snel ze konden, sprongen ze allebei op hun paard en gingen er vandoor. Op de hielen gezeten door die roversbende. En in het gewoel raakten de twee broers elkaar ook nog kwijt. De jongste broer die kon de dichtstbijzijnde stad nog bereiken, de stad waaruit ze vertrokken waren op zoek naar de wonderkamelen. En de andere broer dwaalde door de woestijn heen, door de bergen, voortdurend, dagenlang op de hielen gezeten door die roversbende. Hij was ten einde raad, toen 'ie ineens een grot ontdekte waar een herder zat, met een klein vuurtje voor zich. Hij viel op zijn knieën en smeekte de herder om onderdak.
"Alstublieft, bescherm mij! Ik word al dagen opgejaagd door rovers. Ik stel mij onder uw hoede. Zorg voor me."
"Dat is goed," zei de herder, "ga mijn grot maar in; daar ben je veilig."
En de jongeman was nog niet binnen, en de ruiters arriveerden.
"Lever hem aan ons uit, zodat we hem in stukken kunnen hakken! Zodat we hem met onze lansen kunnen doorboren! Hij heeft van onze bron gedronken."
"Dat kan niet," zei de herder, "ik heb mijn woord aan hem gegeven. Ik heb hem bescherming beloofd. En jullie mogen mijn woord niet breken."
"Als je ons niet binnenlaat, als je hem niet aan ons uitlevert, dan nemen we jou ook mee."
"Sluit dan tenminste een overeenkomst met me. Zodat ik me aan mijn woord kan houden. Ik zal naar binnen gaan en aan de vluchteling vragen of hij naar buiten komt. Dan hoef ik mijn woord niet te breken, dan kunnen jullie het achter de eerstvolgende heuvel onderling regelen."
De rovers gingen akkoord. Ze trokken zich een stukje terug en wachtten af. De herder ging de grot in.
"Je hebt het gehoord buiten. Ik kan mijn woord niet houden. Dus ik zal mijn leven geven. Doe je kleren uit en we wisselen van kleren. Zogauw je buiten bent, ga je d'r vandoor. De rovers zullen denken dat jij ik bent."
De twee mannen wisselden van hun kleren, en de vluchteling liep in de kleren van de herder naar buiten. Het werd al een beetje donker en hij hield zijn hoofd naar de grond en hij zei tegen de rovers dat de vluchteling niet uit de grot wilde komen. Hij wilde er niks meer mee te maken hebben en ze moesten het zelf maar regelen. Toen 'ie uit het zicht was, ging 'ie er zo snel mogelijk vandoor. De rovers gingen de grot in, en daar in het donker zagen ze hem liggen. Ze sleepten de herder naar buiten en bij het licht van het vuur zagen ze dat het niet de man was die ze zochten.
"Stommerd, wat heb je gedaan?! Nu moeten we jou doden! Jij hebt je leven gegeven voor een vreemdeling. Wie haalt dat nou in zijn hoofd?"
"Ik had hem mijn woord gegeven. En ik sterf liever, ik word liever door jullie lansen doorboord, dan dat ik een slechte gastheer ben."
De jongen die op de vlucht was, heeft kunnen ontkomen. Hij heeft de dichtstbijzijnde stad gehaald, en daar heeft 'ie zich weer bij zijn broer gevoegd. En naar verluidt hebben ze die wonderkamelen nooit gevonden. Die herder, die zijn leven wilde geven voor een vreemdeling, die hebben de rovers laten leven. En ik weet het zeker. Want die Marokkaanse buurman, die bij mijn buren logeerde, en die het altijd koud had, dat was die herder.
(Verteld op zondag 5 november 2000 in houtzaagmolen De Ster in Lombok)
[Publiek lacht]
En die grootvader, toen 'ie nog jong was, die had met zijn broer samen... hadden ze een gerucht gehoord. Dat er ergens, in een stad in de Sahara, dat daar wonderkamelen werden gehouden. Nou, dat leek ze wel wat. Zo'n wonderkameel gaan halen en daarna mee op naar huis gaan. En dan de blits maken in het dorp. Dus die twee broers die trokken er op uit. Ze kwamen aan in de Sahara, en ze raakten aan het dolen; ze raakten een paar keer de weg kwijt, ze vonden ook de weg weer terug. Ze kregen dorst. Ze doolden rond en net toen ze bijna omkwamen van de dorst toen vonden ze een oase. Ze fristen zich wat op, ze dronken wat water, ze vulden hun veldflessen, en terwijl ze daar aan die oase stonden, zagen ze ineens in de verte een stofwolk opdoemen. Een roversbende. En van die roverbendes, daar hadden ze van gehoord: daar moest je niks mee te maken krijgen! Dus zo snel ze konden, sprongen ze allebei op hun paard en gingen er vandoor. Op de hielen gezeten door die roversbende. En in het gewoel raakten de twee broers elkaar ook nog kwijt. De jongste broer die kon de dichtstbijzijnde stad nog bereiken, de stad waaruit ze vertrokken waren op zoek naar de wonderkamelen. En de andere broer dwaalde door de woestijn heen, door de bergen, voortdurend, dagenlang op de hielen gezeten door die roversbende. Hij was ten einde raad, toen 'ie ineens een grot ontdekte waar een herder zat, met een klein vuurtje voor zich. Hij viel op zijn knieën en smeekte de herder om onderdak.
"Alstublieft, bescherm mij! Ik word al dagen opgejaagd door rovers. Ik stel mij onder uw hoede. Zorg voor me."
"Dat is goed," zei de herder, "ga mijn grot maar in; daar ben je veilig."
En de jongeman was nog niet binnen, en de ruiters arriveerden.
"Lever hem aan ons uit, zodat we hem in stukken kunnen hakken! Zodat we hem met onze lansen kunnen doorboren! Hij heeft van onze bron gedronken."
"Dat kan niet," zei de herder, "ik heb mijn woord aan hem gegeven. Ik heb hem bescherming beloofd. En jullie mogen mijn woord niet breken."
"Als je ons niet binnenlaat, als je hem niet aan ons uitlevert, dan nemen we jou ook mee."
"Sluit dan tenminste een overeenkomst met me. Zodat ik me aan mijn woord kan houden. Ik zal naar binnen gaan en aan de vluchteling vragen of hij naar buiten komt. Dan hoef ik mijn woord niet te breken, dan kunnen jullie het achter de eerstvolgende heuvel onderling regelen."
De rovers gingen akkoord. Ze trokken zich een stukje terug en wachtten af. De herder ging de grot in.
"Je hebt het gehoord buiten. Ik kan mijn woord niet houden. Dus ik zal mijn leven geven. Doe je kleren uit en we wisselen van kleren. Zogauw je buiten bent, ga je d'r vandoor. De rovers zullen denken dat jij ik bent."
De twee mannen wisselden van hun kleren, en de vluchteling liep in de kleren van de herder naar buiten. Het werd al een beetje donker en hij hield zijn hoofd naar de grond en hij zei tegen de rovers dat de vluchteling niet uit de grot wilde komen. Hij wilde er niks meer mee te maken hebben en ze moesten het zelf maar regelen. Toen 'ie uit het zicht was, ging 'ie er zo snel mogelijk vandoor. De rovers gingen de grot in, en daar in het donker zagen ze hem liggen. Ze sleepten de herder naar buiten en bij het licht van het vuur zagen ze dat het niet de man was die ze zochten.
"Stommerd, wat heb je gedaan?! Nu moeten we jou doden! Jij hebt je leven gegeven voor een vreemdeling. Wie haalt dat nou in zijn hoofd?"
"Ik had hem mijn woord gegeven. En ik sterf liever, ik word liever door jullie lansen doorboord, dan dat ik een slechte gastheer ben."
De jongen die op de vlucht was, heeft kunnen ontkomen. Hij heeft de dichtstbijzijnde stad gehaald, en daar heeft 'ie zich weer bij zijn broer gevoegd. En naar verluidt hebben ze die wonderkamelen nooit gevonden. Die herder, die zijn leven wilde geven voor een vreemdeling, die hebben de rovers laten leven. En ik weet het zeker. Want die Marokkaanse buurman, die bij mijn buren logeerde, en die het altijd koud had, dat was die herder.
(Verteld op zondag 5 november 2000 in houtzaagmolen De Ster in Lombok)
Beschrijving
Twee broers gaan in de woestijn op zoek naar wonderkamelen. Na bij een oase gedronken te hebben, worden ze achternagezeten door een roversbende. Eén broer bereikt veilig de stad. De andere broer vraagt en krijgt onderdak bij een herder in een grot. De rovers eisen de vluchteling op, maar de herder kan dat niet doen vanwege zijn gegeven woord. na dreigementen verzint de herder een list. De herder en de vluchteling wisselen van kleren. De broer kan ontkomen en de herder wordt door de rovers gegrepen. Ze laten de herder echter leven. En de broer bereikt tijdig de stad. Later logeerde de herder nog in Nederland bij de overburen van de verteller.
Bron
Verteld zondag 5 november 2000 in houtzaagmolen De Ster in Lombok (opname archief MI)
Commentaar
5 november 2000
Naam Overig in Tekst
Marokkaans   
Naam Locatie in Tekst
Marokko   
Nederland   
Sahara   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
