Hoofdtekst
Up d’hofstee waar de Clémence weunde, ‘k ga heuren familiename niet zeggen, want da wos van goed volk en ‘t zijn der nu nog die bestaan van dat volk, wel up die hofstee hoorden ze ‘s navens altijd ketens rammelen, en da wos olle navende gelijk, ‘t kwam zoverre dat ze ‘s nachts niet meer dosten buten gaan, en volgens dat ‘t schijnt waren dadde werekeersels van ‘t oud kasteel van Beselare.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Op een boerderij hoorde men iedere avond kettingen rammelen. Het was zelfs zo erg dat de mensen 's nachts niet meer naar buiten durfden te gaan. Ze geloofden dat het gerammel werd veroorzaakt door teruggekeerde doden van het oude kasteel van Beselare.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (ieper)
134
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
Plaats van Handelen
Beselare   
