Hoofdtekst
Treeske D. van de bok, die had den naam ooch van heks te zijn. En mijn peet, dat is heel zeker waar gebeurd, die had e klein kinneke, e schoon klein kinneke. En die hadden de gewoonte aan zich van dan daar is aan te komen en 'Hebt gij dat schoon wichteke nog' en dan moesten ze daar eens aan strelen. Maar op ne keer stond zijne mond achter op zijne rug. En pa die was zo gifitg dat hij e groot vuur aanlegde. En toen ze weer af kwam 'En hoe gaat 't met 't kinneke' toen zei hij, hij had de deur gesloten en de riek bij zich staan 'En nu eens rap die mond te goei gezet.' Zo kwam ze af, van achter op 'e rug zo naar voor en hij stond tegoei.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Treeske D. ging vaak op bezoek bij een gezin waar men een klein kindje had. Op een dag had Treeske de mond van het kind achter op zijn rug gezet. De vader van het kind was zo boos dat hij een groot vuur aanlegde en de heks met een mestvork bedreigde tot ze het kwaad weer ongedaan had gemaakt.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (noord-west)
140
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Treeske D.   
Naam Locatie in Tekst
Eksel   
