Hoofdtekst
Als ’t bij ons toverdegen stond onze Marcel ’s nachts op en ging hij barrevoets op den “Ouwen Berg” bêevaren. En dat beterdegen een beetjen, maar dat en was niet gedaan; maar wij hadden familie wonen in Sint-Antelinckx, en ’t er was daar ne pater bij die zijn kappe over d’haag geworten had en den dien heeft dat toen wisten ontdoen. Wij hadden ’t een malheur op ’t ander: ons varkens stierven, ons koeien, ons paarden hun manen waren gevlochten en van alles! De pater leesdegen over de varkens, hij stond in de gang “g’en moogt aan niet gaan” zei hij; en mee den anderen kroop er een padde langserend (langs) de deure! Dat was ’t kwaad. En zweten dat hij deed! En de pater had gezeid dat ’t hoofd van de bende daar de negesten dag zo gestaan hebben. En de negensten dag stond vorken daar.
Beschrijving
Op een betoverde boerderij waar de varkens en koeien stierven en waar de mannen van de paarden werden gevlochten, stond de boer ’s nachts op om blootsvoets op bedevaart te gaan naar de Oude Berg. Daarna kwam er wat verbetering, maar men had nog steeds ongeluk. In Sint-Antelinks hadden de mensen familie van wie een man voor pater had geleerd, maar het seminarie vroegtijdig had verlaten. Die man kwam ter plaatse om het kwaad ongedaan te maken. Terwijl de pater de varkens overlas, kroop er een pad langs de deur. Dat was het kwaad. De pater zweette verschrikkelijk en zei dat het hoofd van de bende op de negende dag naar de boerderij zou komen. Negen dagen later stond een persoon uit de buurt daar.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
378
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Voorde   
Plaats van Handelen
Sint-Antelinks   
Oude Berg   
