Hoofdtekst
Mijn vader geloofde erg aan toverij. Hij stond eens bij de ossen (we hadden nog geen paarden) en Gories Mie liep daar. “Dat is toch een schoon beestje”, zei ze. Maar als ze zou turren haar hand uitsteken hebben, zei mijn vader, ik gaf ze een slag. Hij wist zeker dat zij het zou betoverd hebben.
Beschrijving
Een man stond bij zijn ossen toen er een vrouw voorbijkwam, die zei: “Dat is toch een mooi beestje”. De man was bang dat de vrouw de os zou aanraken. Als ze dat deed, dan zou ze zeker een oorveeg krijgen.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (zuiden)
14D
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Mater   
