Hoofdtekst
A: Mijn vader heeft nog verteld, als hij jong was, dat hij daar ging. En ja, hij had ook maten en ja en dat ze een keer tot aan de huizen gingen. En ja, dat ze ’t huis uitveegden en overtijd en ja, vaneigens we moesten niet veel kuisen, een beetje uitvegen. De vloeren waren toch bijna overal en ja, met kalk of wit. De vloeren waren overal bijna niet gelegd alzo lijk of dat dat nu is né. En dat ze ’t huis uitveegden en dat ze zeien: "Ge moet metje weer op z’n plaats zetten wê. Anderszins ’t zou hem niet meer vinden als ’t thuiskomt." Zo, ‘t was ook dat ‘t entwaar weg was zeker né.X: Wat moesten ze op zijn plaats zetten?A: Metje, metje. Ze zeien né: "Ge moet metje weer", zeien de andere, né als ze ’t huis alzo lijk aan de kant of wat deden, "ge moet metje weer op zijn plaat zetten, of ’t gaat zich niet meer vinden als ’t thuiskomt." ’t Moet zijn dat ’t algelijk ook dat ’t ook weg was né. Zie je’t, ze zagen ’t daar nog zitten, maar eigenlijk was ‘ algelijk lijk weg. Dat was ook raar né.X: Maar metje, wat is dat dan? Een oud…A: E wê, metje dat was een oud wijveke né. Dat was een oud wijveke. En dat ze zeien: "Ge moet metje weer op z’n plaats zetten."
Beschrijving
Toen enkele mannen een huis hadden gepoetst, zei één van hen: "Je moet 'metje' (1) weer op haar plaats zetten, want anders zal ze (?) zich niet meer kunnen oriënteren wanner ze thuiskomt".
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
11
Vader van de informant
fabulaat
(1) een oud vrouwtje
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
