Hoofdtekst
Ik en mijne kozijn werkten op een boerenhof. Er waren daar mijten. In de zomer als we genoend hadden kregen we ½ uur “repos”. Mijne kozijn en ik gingen tegen de mijte wat rusten. Hij valt in slaap. Ik hoor hem kuimen en draaien. Als ’t tijd was om te werken maak ik hem wakker. “Ik heb van de mare bereden geweest”, zei hij, “waarom hebt ge mij niet wakker gemaakt?” De mensen willen hebben dat ze u ’s nachts ook kunnen lappen (foppen). Maar als ge uw kloefen verkeerd zet (een rechts en een averechts) kosten ze nooit bij u komen. Bij ons thuis moesten de kloefen altijd zo staan. Vadere deed ’s avonds zijnen toer.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een man werkte samen met zijn neef op een boerderij. Na het middagmaal mochten de knechten in de zomer een half uur rusten. Op een dag hoorde de man hoe zijn neef tegen de hooimijt in slaap viel en begon te woelen. Toen de man zijn neef wakker maakte omdat de pauze was afgelopen, zei de neef dat hij door de mare was bereden. Wie ’s avonds één klomp met de hiel naar het bed en de andere met de teen naar het bed gericht had gezet, zou ’s nachts niet door de mare worden bereden.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
86
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Ronse   
