Hoofdtekst
Vroeger gingen we van ‘Op de Bèrg’, hier waar ik met m’n ouders heb gewoond (= Bergstraat), ‘dèks’ naar Millen naar de dokter. En altijd in het veld daar was… Wij heetten dat een ‘sjóófet’. Wat was dat? Maar niemand is ooit erbij durven komen. En die ‘sjóófet’ verbleef in het veld hier tussen Val en Millen. In het veld daar stond een grote dikke haag en daar verbleef dat spook, die ‘sjóófet’. En als iemand naar Millen ging - wij moesten met de lantaarn altijd gaan - die kwamen altijd zien wie dat was tot heel kortbij. En als wij onze weg (verder)gingen, hij deed ons niks. Dat was dus een levend wezen. Wat het ooit geweest is, weet ik niet. Maar dat heb ik zelf beleefd; dat was in mijne tijd nog toen ik kind was. Hier was maar een dokter in Millen dan. In Val was niks. En wij moesten dan door het veld uit en altijd met een lantaarn in de handen. Die ‘sjóófet’ die kwam altijd daar op ons af tot kortbij ons. En als wij rustig bleven en onze weg gingen, dan trok de ‘sjóófet’ zich terug, naar die haag toe. En op een ogenblik zagen we dan niks meer. Wat is het of wat is het niet? Dat heb ik zelf beleefd, hé, van die ‘sjóófet’ En van het ‘Geizegèngske’, dat voetpadje, dat weet ik van die oom. En van Pit van Stasse (= 16 B) en van die haas (= 16 A), dat weet ik ook van oom.
Onderwerp
SINSAG 0220 - Andere Begegnungen mit dem Feuermann
  
Beschrijving
Enkele mensen die met een lantaren van de Bergstraat in Val naar de dokter in Millen gingen, zagen in het veld bij een dikke haag vaak een sjoofet. Als de mensen rustig voortgingen, dan kwam de vuurman even naar hen toe, om even later achter de haag te verdwijnen.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (groot-riemst)
16T 310
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Val-Meer   
Plaats van Handelen
Millen   
Bergstraat (Val)   
Val   
