Hoofdtekst
’t Was daar ook etwaar (ergens) een die bij mensen achter brood ging. En je vroeg een stute (boterham), maar je (hij) kreeg geen. Je zult er gij wel geven, zeiten. En ’s nachts al die mensen under (hun) koeien hingen opgehangen aan under (hun) ketens aan de balken. Dat waren d’r die etwa (iets) kosten he.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een bedelaar ging bij een boer een stuk brood vragen. Omdat de bedelaar niets kreeg, zei hij: "Je zal het me nog wel geven!" De volgende nacht zorgde de bedelaar ervoor dat de koeien van de boer met hun kettingen aan de balken hingen. Die bedelaar kon toveren.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (kamerlingsambacht)
238
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Stene   
