Hoofdtekst
I -En weet ge nog dingen om een heks buiten uw huis te houden of zo?46 F -Ja, de paasnagel hé moet ge aan uw voordeur en uw achterdeur leggen en thuns (dan) is altijd het kwaad buiten, uit huis, ja.47 -Paasnagel, wist ge dat?I -Ja.47 -Dat wist ge ook al.I -Ja, want Jeannine (Inf.15) heeft mij een paasnagel getoond.II -Jeannine van, heeft haar een getoond, van Klosse.46 -Hebt ge dat niet?I -Nee, wij hebben dat niet.47 -Hebt ge dat niet een paasnagel?46 -Als ge een keer een moet hebben, ik zal u een keer een bezorgen.I -Ja?II -Jeanine ôt (had) er ook, ze heeft er haar een getoond een keer.46 -Ja? Ik heb er zelfs een onder mijn eerste steen hier gelegd een paasnagel.II -Maar ik geloof dat dat bij ons ook zat ze vroeger onder de zulle.46 -Ja, dat was vroeger de mode hé.I -En ge krijgt dat van?I -En krijgt ge dat dan van de pastoor of zo?46 -Ja, van de pastoor. Ge kunt dat anders niet, dat is gewijd hé, ik zal u een bezorgen.
Beschrijving
Men kon het kwaad buiten houden door een paasnagel bij zijn voor- of achterdeur te leggen. Een paasnagel moest men bij de pastoor gaan halen.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
oost-vlaams (groot-zottegem)
46F
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   
